Hoofdstuk 8: Beschaving betekent regels volgen

Puṣṭa Kṛṣṇa: Mag ik de volgende vraag stellen, Śrīla Prabhu---

pāda? ‘Zijn vasten en andere dieetregels noodzakelijk voor een spiritueel leven?’

Śrīla Prabhupāda: Zeker. Zulke tapasya (ascese) is zeer belangrijk als we vooruitgang willen maken in ons spiritueel leven. Tapasya betekent het vrijwillig aanvaarden van iets wat pijnlijk kan zijn. Zo raden we bijvoorbeeld aan om geen vrije seks te hebben, geen verdovende of opwekkende middelen te gebruiken, niet te gokken en geen vlees te eten. Voor hen die gewend zijn aan deze slechte gewoonten kan het in het begin wat moeilijk zijn, maar ondanks dat moet je deze regels naleven. Dat is tapasya. ’s Ochtends vroeg opstaan is een ander voorbeeld. Voor hen die dat niet gewend zijn, is het wat pijnlijk, maar het is noodzakelijk. De Vedische heilige teksten schrijven dus bepaalde tapasya’s voor, en die moeten worden gevolgd.

Er is geen sprake van ‘Misschien doe ik het of misschien ook niet.’ Deze ascese moet worden gedaan. Zo geeft de Muṇḍaka Upaniṣad iemand die zelfrealisatie wil bereiken de instructie een spiritueel leraar te benaderen: tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet. (Muṇḍaka Upaniṣad 1.2.12) Het is dus niet ‘naar eigen keuze’ — het moet gedaan worden. En je moet de instructies van de spiritueel leraar en van de śāstra, de heilige teksten, naleven. Een regel of instructie volgen zonder erbij stil te staan of het goed of slecht uitkomt, gewoon omdat het gedaan moet worden, wordt tapasya genoemd. Tapo divyaṁ: net zoals de andere grote spirituele autoriteiten adviseert Ṛṣabhadeva dat dit menselijk bestaan bedoeld is voor ascese die tot godsrealisatie leidt. Daarom vinden we in onze Vedische beschaving zo veel regels en bepalingen.

Aan het begin van het leven moet iemand brahmacārī (celibatair student) zijn. Hij moet naar de woning van de spiritueel leraar gaan en dienen. Als de spiritueel leraar zegt: ‘Haal wat hout in het bos’, dan mag de student het bevel van de spiritueel leraar niet weigeren, zelfs al is hij een koningszoon. Hij moet gaan. Zelfs Kṛṣṇa werd door Zijn spiritueel leraar opgedragen droog hout te halen in het bos en moest dus gaan. Ook al was Nanda Mahārāja, een vaiśya-dorpskoning, Zijn vader en ook al was Kṛṣṇa de Persoonlijkheid Gods, toch kon Hij niet weigeren. Hij moest gaan. cavat — net als een dienaar. Dat is brahmacarya, het studentenbestaan in het spirituele leven. Dit is tapasya. Tapasya is zo belangrijk dat je het móet doen. Er is geen sprake van een alternatief.

Na het brahmacārī-leven mag men trouwen. Dit betekent dat je het gṛhastha-leven ingaat, het leven van een getrouwd persoon. Ook dat is tapasya. Hij mag geen seks hebben wanneer hij wil. Nee. De heilige teksten zeggen: ‘Seks moet je op de volgende manier beoefenen: één keer per maand en uitsluitend om kinderen te krijgen.’ Ook dat is tapasya. Vandaag de dag volgen de mensen geen tapasya meer. Maar het menselijk bestaan is bedoeld voor tapasya — regulerende principes. Zelfs in dagelijkse bezigheden zien we dit, bijvoorbeeld wanneer je voor belangrijke zaken met je auto ergens naartoe rijdt en een rood stoplicht ziet. Je moet stoppen. Je kunt niet zeggen: ‘Ik moet ergens binnen een paar minuten zijn. Ik moet doorrijden.’ Nee. Je moet stoppen. Dat is tapasya.

Tapasya betekent dus het strikt volgen van regels, in navolging van een hogere opdracht. En dat is het menselijk bestaan.

Het dierenbestaan daarentegen houdt in dat je kunt doen wat je wilt. Op straat kunnen dieren rechts houden, of links; het doet er niet toe. Als ze zich niet aan de regels houden, wordt dat niet als een overtreding gezien, omdat het dieren zijn. Maar als een mens zich niet aan de regulerende principes houdt, is hij zondig. Hij zal gestraft worden. Neem hetzelfde voorbeeld. Als het stoplicht op rood staat en je stopt niet, word je gestraft. Maar als een kat of hond een overtreding maakt — ‘Rood licht? Vergeet het maar, ik loop gewoon door’ — dan wordt hij niet gestraft. Tapasya is dus bedoeld voor mensen. Als je vooruitgang wil maken in je leven, moet je tapasya verrichten. Het is essentieel.

Puṣṭa Kṛṣṇa: En tapasya houdt dus ook in: voorschriften met betrekking tot voedsel, Śrīla Prabhupāda?

Śrīla Prabhupāda: Ook dat is tapasya. We verbieden bijvoorbeeld vleeseten. In jullie land is dat een beetje lastig. Vanaf het begin van zijn leven raakt een kind eraan gewend vlees te eten. De moeder koopt vlees in poedervorm, mengt het met vloeistof en geeft het aan haar kind. Ik heb het gezien. Bijna iedereen is opgegroeid met vleeseten. Toch zeg ik: ‘Eet geen vlees.’ Daarom is het lastig. Maar als iemand serieus zelfrealisatie wil bereiken, moet hij het gebod opvolgen. Dat is tapasya.

Tapasya heeft betrekking op onze eetgewoonten, op ons persoonlijk gedrag, op hoe we met anderen omgaan, enzovoort. In ieder onderdeel van het leven is er tapasya. Dat wordt allemaal beschreven in de Bhagavad-gītā. Mentale tapasya, lichamelijke tapasya, verbale tapasya — de beheersing van vāco-vegam, de behoefte om zomaar te zeggen waar je zin in hebt. Je kunt niet zomaar onzin uitkramen. Als je praat, moet je over Kṛṣṇa praten. Dat is tapasya. Er is ook tapasya in verband met krodha-vegam, de behoefte om woede te uiten. Als iemand kwaad wordt en dit wil uiten door iemand te slaan of iets zeer gewelddadigs te doen, zal tapasya hem daarvan weerhouden. ‘Nee, doe het niet.’ Er is ook tapasya met betrekking tot de tong, de buik en de geslachtsdelen. Je kunt niet zomaar eten wat je wil en wanneer je dat maar wil. Je kunt evenmin seks hebben wanneer je wil. Dit kan alleen in overeenkomst met de heilige teksten. ‘Ik heb zin in seks, maar ik mag er niet aan toegeven. Dit is niet het juiste moment.’ Dat is tapasya.

Op alle mogelijke manieren moet men dus tapasya beoefenen: in lichaam, geest, woord, persoonlijk gedrag en in zijn omgang met anderen. Dat is het menselijk bestaan. Tapo divyaṁ: om enkel een mens genoemd te kunnen wor-den — maar vooral als je vooruitgang in spiritueel leven wil maken — moet je handelen volgens de Vedische heilige teksten. Dat is de betekenis van tapasya. Voordat Brahmā aan de schepping kon beginnen, moest hij eerst tapasya ondergaan. Staat dat niet in de śāstra? Ja. Daarom is tapasya essentieel. Je kunt er niet omheen.

En wat is het doel van tapasya? Het doel is de Allerhoogste tevreden te stellen via de spiritueel leraar. Yasya prasādād bhagavat-prasādaḥ: ‘Men kan de genade van de Heer alleen bereiken door de genade van de spiritueel leraar.’ Dat is de idee.

Wie onderwijst deze tapasya nog in de hedendaagse onderwijsinstellingen? Waar is die school of dat college? De leerlingen roken zelfs in het bijzin van hun leerkrachten en dat wordt gedoogd. Geen overtreding. Wat kun je nou verwachten van zulke leerlingen? Dit is een samenleving van dieren. Dit is geen menselijke samenleving. Geen tapasya, geen brahmacārī-leven. Werkelijke beschaving houdt in: tapo divyaṁ, goddelijke ascese. Deze tapasya begint met het brahmacārī-leven: leren de zintuigen te beheersen. Dat is het begin van het leven en niet enkel ‘ABC’-kennis en een karakter dat misschien nog lager is dan dat van een dier. Maar je hebt een universitair diploma... ‘Het maakt niet uit, want je bent een geleerd man.’ Nee, dat is onaanvaardbaar.

Zelfs vanuit het oogpunt van eenvoudig moreel onderricht moeten we ons afvragen: ‘Wie is er vandaag de dag geleerd?’ Cāṇakya Paṇḍita beschrijft een geleerd persoon als volgt:

mātṛ-vat para-dāreṣu
para-dravyeṣu loṣṭra-vat
ātma-vat sarva-bhūteṣu
yaḥ paśyati sa paṇḍitaḥ

‘Een geleerd man ziet andermans vrouw als zijn moeder en andermans eigendom als onrein vuil. Hij ziet alle anderen als gelijk aan zichzelf.’ Dat is de paṇḍita, de geleerde.

In de Bhagavad-gītā (5.18) beschrijft Kṛṣṇa de paṇḍita:

vidyā-vinaya-sampanne
brāhmaṇe gavi hastini
śuni caiva śva-pāke ca
paṇḍitāḥ sama-darśinaḥ

‘Omdat ze werkelijke kennis hebben, beschouwen de nederige wijzen een geleerde, eerbiedwaardige brāhmaṇa, een koe, een olifant, een hond en een hondeneter [kasteloze] als gelijk.’

Dat is een geleerd man. Niet iemand met een diploma. Van iemand met een diploma maar zonder tapasya of karak-ter, zegt Kṛṣṇa dat hij māyayāpahṛta-jñāna is: ‘Zijn kennis is weggestolen door illusie.’ Hoewel hij zo veel heeft geleerd, heeft māyā toch zijn kennis weggenomen. Hij is een dwaas. Hij is een dier. Dat is het standpunt van de Vedische beschaving.