Inleiding

oṁ ajñāna-timirāndhasya, jñānāñjana-śalākayā
cakṣur unmīlitaṁ yena, tasmai śrī-gurave namaḥ

śrī-caitanya-mano-’bhīṣṭaṁ, sthāpitaṁ yena bhū-tale
svayaṁ rūpaḥ kadā mahyaṁ, dadāti sva-padāntikam

Ik werd geboren in het diepste duister der onwetendheid en mijn spiritueel leraar heeft mij verlicht met de fakkel der kennis. Ik breng hem mijn respectvolle eerbetuigingen.

Wanneer zal Śrīla Rūpa Gosvāmī Prabhupāda, die in de materiële wereld de missie heeft uitgedragen om het verlangen van Heer Caitanya te vervullen, mij beschutting geven onder zijn lotusvoeten?

vande ’haṁ śrī-guroḥ śrī-yuta-pada-kamalaṁ śrī-gurūn vaiṣṇavāṁś ca
śrī-rūpaṁ sāgrajātaṁ saha-gaṇa-raghunāthānvitaṁ taṁ sa-jīvam
sādvaitaṁ sāvadhūtaṁ parijana-sahitaṁ kṛṣṇa-caitanya-devaṁ
śrī-rādhā-kṛṣṇa-pādān saha-gaṇa-lalitā-śrī-viśākhānvitāṁś ca

Ik breng mijn respectvolle eerbetuigingen aan de lotusvoeten van mijn spiritueel leraar en aan de voeten van alle vaiṣṇava’s. Ik breng mijn respectvolle eerbetuigingen aan de lotusvoeten van Śrīla Rūpa Gosvāmī en aan die van zijn oudere broer Sanātana Gosvāmī en ook aan Ragunātha Dāsa, Ragunātha Bhaṭṭa, Gopāla Bhaṭṭa en Śrīla Jīva Gosvāmī. Ik breng mijn respectvolle eerbetuigingen aan Heer Kṛṣṇa Caitanya en Heer Nityānanda en Advaita Ācārya, Gadādhara, Śrīvāsa en andere metgezellen. Ik breng mijn respectvolle eerbetuigingen aan Śrīmatī Rādhārāṇī en Śrī Kṛṣṇa en aan Hun metgezellinnen Śrī Lalitā en Śrī Viśākhā.

he kṛṣṇa karuṇā-sindho, dīna-bandho jagat-pate
gopeśa gopikā-kānta , rādhā-kānta namo ’stu te

O mijn dierbare Kṛṣṇa, Je bent de vriend van de verdrietigen en de oorsprong van de schepping. Je bent de heer van de gopī’s en de minnaar van Rādhārāṇī. Ik breng Je mijn respectvolle eerbetuigingen.

tapta-kāñcana-gaurāṅgi, rādhe vṛndāvaneśvari
vṛṣabhānu-sute devi, praṇamāmi hari-priye

Ik breng mijn eerbetuigingen aan Rādhārāṇī, de Koningin van Vṛndāvana, die een huidskleur heeft als gesmolten goud. Je bent de dochter van Vṛṣabhānu en Je bent Kṛṣṇa zeer dierbaar.

vāñchā-kalpatarubhyaś ca, kṛpā-sindhubhya eva ca
patitānāṁ pāvanebhyo, vaiṣṇavebhyo namo namaḥ

Ik breng mijn eerbiedige eerbetuigingen aan alle vaiṣṇava’s, de toegewijden van de Heer. Zij zijn net als wensbomen, die alle verlangens kunnen vervullen en ze zijn vol mededogen voor de gevallen zielen.

śrī-kṛṣṇa-caitanya, prabhu-nityānanda
śrī-advaita gadādhara, śrīvāsādi-gaura-bhakta-vṛnda

Ik breng mijn eerbetuigingen aan Śrī Kṛṣṇa Caitanya en Prabhu Nityānanda, Śrī Advaita, Gadādhara, Śrīvāsa en alle anderen in de devotionele lijn.

hare kṛṣṇa hare kṛṣṇa, kṛṣṇa kṛṣṇa hare hare
hare rāma hare rāma, rāma rāma hare hare

De Bhagavad-gītā staat ook bekend als de Gītopaniṣad. Ze is de essentie van de Vedische kennis en een van de belangrijkste upaniṣads binnen de Vedische literatuur. Er bestaan in de westerse talen natuurlijk vele commentaren op de Bhagavad-gītā en men kan zich afvragen of het werkelijk noodzakelijk is om daar nog een aan toe te voegen. De editie die u nu voor u heeft kan als volgt worden verklaard. Onlangs vroeg een Amerikaanse dame me of ik haar een Engelse vertaling van de Bhagavad-gītā kon aanbevelen. Er bestaan in Amerika, en niet alleen in Amerika maar ook in India, natuurlijk vele Engelse edities van de Bhagavad-gītā, maar voor zover ik gezien heb, kan van al die edities niet gezegd worden dat ze volledig gezaghebbend zijn, omdat in nagenoeg al deze edities de commentator zijn eigen mening geeft zonder daadwerkelijk door te dringen tot de essentie van de Bhagavad-gītā zoals ze is.

De essentie van de Bhagavad-gītā wordt in de Bhagavad-gītā zelf gegeven. Men kan het vergelijken met het volgende: als we een bepaald medicijn willen innemen, dan moeten we de aanwijzingen op de verpakking volgen. We kunnen het medicijn niet zomaar naar eigen willekeur innemen of volgens de aanwijzing van een vriend. Het moet worden ingenomen volgens de aanwijzingen op de bijsluiter of volgens de aanwijzingen van een dokter. Op dezelfde manier moet de Bhagavad-gītā ‘ingenomen’ of aanvaard worden volgens de aanwijzingen van de spreker Zelf.

De spreker van de Bhagavad-gītā is Heer Śrī Kṛṣṇa. Op elke pagina van de Bhagavad-gītā wordt Hij beschreven als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Bhagavān. Nu is het natuurlijk zo dat het woord ‘bhagavān’ soms naar welk machtig persoon of welke machtige halfgod dan ook verwijst, en het is zeker zo dat Heer Kṛṣṇa hier met het woord ‘bhagavān’ als een zeer belangrijke persoonlijkheid aangeduid wordt. Maar tegelijkertijd moeten we weten dat Heer Śrī Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is, zoals bevestigd wordt door alle grote ācārya’s (spiritueel leraren), zoals Śaṅkarācārya, Rāmānujācārya, Madhvācārya, Nimbārka Svāmī, Śrī Caitanya Mahāprabhu en vele andere Indiase gezaghebbende personen op het gebied van de Vedische kennis. De Heer bevestigt in de Bhagavad-gītā Zelf dat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is en Hij wordt ook als zodanig aanvaard in de Brahma-saṁhitā en alle purāṇa’s, in het bijzonder in het Śrīmad-Bhāgavatam, dat bekendstaat als de Bhāgavata Purāṇa (kṛṣṇas tu bhagavān svayam). We moeten de Bhagavad-gītā daarom aannemen volgens de aanwijzingen van de Persoonlijkheid Gods Zelf.

In het vierde hoofdstuk van de Gītā (4.1-3) zegt de Heer:

imaṁ vivasvate yogaṁ, proktavān aham avyayam
vivasvān manave prāha, manur ikṣvākave ’bravīt

evaṁ paramparā-prāptam, imaṁ rājarṣayo viduḥ
sa kāleneha mahatā, yogo naṣṭaḥ parantapa

sa evāyaṁ mayā te ’dya, yogaḥ proktaḥ purātanaḥ
bhakto ’si me sakhā ceti, rahasyaṁ hy etad uttamam

In deze verzen vertelt de Heer aan Arjuna dat deze yogamethode, namelijk de Bhagavad-gītā, eerst tot de zonnegod werd gesproken, die haar daarna aan Manu uitlegde en die haar op zijn beurt aan Ikṣvāku uiteenzette en dat deze yogamethode op die manier, via de opeenvolging van discipelen, van de ene spreker op de andere, werd overgedragen. Maar na verloop van tijd raakte ze verloren. Daarom moest de Heer deze kennis opnieuw geven, en deze keer was dat aan Arjuna, op het Slagveld van Kurukṣetra.

Hij vertelt Arjuna dat Hij dit allergrootste geheim aan hem vertelt, omdat hij Zijn toegewijde is en Zijn vriend. Dit betekent dat de Bhagavad-gītā een verhandeling is die speciaal bedoeld is voor de toegewijde van de Heer. Er zijn drie categorieën van transcendentalisten: de jñānī, de yogī en de bhakta, of de impersonalist, de beoefenaar van meditatie en de toegewijde. De Heer vertelt Arjuna hier duidelijk dat Hij hem de eerste ontvanger van een nieuwe paramparā (opeenvolging van discipelen) maakt, omdat de oude verbroken was. Het was daarom het verlangen van de Heer om de grondslag te leggen voor een nieuwe paramparā, die zou overeenstemmen met de kennis die via de zonnegod aan anderen overgeleverd was; het was Zijn verlangen dat Zijn onderricht opnieuw verspreid zou worden door Arjuna. Hij wilde dat Arjuna de autoriteit zou worden voor het juiste begrip van de Bhagavad-gītā. We zien dus dat de Bhagavad-gītā juist aan Arjuna onderwezen werd, omdat hij een toegewijde van de Heer was, een directe student van Kṛṣṇa en Zijn intieme vriend. De Bhagavad-gītā kan daarom het best begrepen worden door iemand die dezelfde eigenschappen heeft als Arjuna; dat wil zeggen: hij moet een toegewijde zijn die een rechtstreekse relatie heeft met de Heer. Zodra iemand een toegewijde van de Heer wordt, heeft hij ook een rechtstreekse relatie met de Heer. Dat is een zeer uitgebreid onderwerp, maar er kan in het kort over gezegd worden dat de toegewijde op vijf verschillende manieren een relatie met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods kan hebben:

1. Men kan een toegewijde zijn in passieve staat.
2. Men kan een toegewijde zijn in actieve staat.
3. Men kan een toegewijde zijn als vriend.
4. Men kan een toegewijde zijn als ouder.
5. Men kan een toegewijde zijn als minnaar.

Arjuna had een relatie met de Heer als vriend. Er bestaat natuurlijk een groot verschil tussen deze vriendschap en de vriendschap die we in de materiële wereld aantreffen, want deze vriendschap is transcendentaal en niet iedereen kan zo’n vriendschap hebben. Natuurlijk heeft iedereen een bepaalde relatie met de Heer en die relatie wordt opgewekt door volmaaktheid in devotionele dienst. Maar in de huidige toestand van ons leven zijn we niet alleen de Heer vergeten, maar ook onze eeuwige relatie met Hem. Elk levend wezen uit de vele, vele miljoenen en biljoenen levende wezens die er zijn, heeft eeuwig een bepaalde relatie met de Heer. Dat wordt svarūpa genoemd. Door het proces van devotionele dienst kan men die svarūpa doen herleven en dat stadium wordt svarūpa-siddhi genoemd: de vervolmaking van zijn wezenlijke positie. Arjuna was dus een toegewijde en hij was verbonden met de Heer door vriendschap.

Het is belangrijk om te zien hoe Arjuna deze Bhagavad-gītā aanvaardde. De manier waarop hij dat deed wordt beschreven in het tiende hoofdstuk (10.12-14):

arjuna uvāca
paraṁ brahma paraṁ dhāma, pavitraṁ paramaṁ bhavān
puruṣaṁ śāśvataṁ divyam, ādi-devam ajaṁ vibhum

āhus tvām ṛṣayaḥ sarve, devarṣir nāradas tathā
asito devalo vyāsaḥ, svayaṁ caiva bravīṣi me

sarvam etad ṛtaṁ manye, yan māṁ vadasi keśava
na hi te bhagavan vyaktiṁ, vidur devā na dānavāḥ

‘Arjuna zei: Jij bent de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de allerhoogste verblijfplaats, de zuiverste, de Absolute Waarheid. Jij bent de eeuwige, transcendentale en oorspronkelijke persoon, de ongeborene, de grootste. Alle grote wijzen zoals Nārada, Asita, Devala en Vyāsa bevestigen deze waarheid over Jou en nu verklaar Je het me Zelf. O Kṛṣṇa, alles wat Je me gezegd hebt aanvaard ik volledig als de waarheid. Zowel de halfgoden als de demonen, o Heer, kunnen Je vorm en Je transcendentale eigenschappen niet begrijpen.’

Nadat Arjuna de Bhagavad-gītā van Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, gehoord had, aanvaardde hij Kṛṣṇa als paraṁ brahma, het Allerhoogste Brahman. Ieder levend wezen is Brahman, maar het allerhoogste levend wezen of de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, is het Allerhoogste Brahman. Paraṁ dhāma betekent dat Hij de allerhoogste basis of verblijfplaats is van alles; pavitram betekent dat Hij zuiver is, onaangeroerd door materiële onzuiverheid; puruṣam betekent dat Hij de allerhoogste genieter is; śāśvatam, oorspronkelijk; divyam, transcendentaal; ādi-devam, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods; ajam, de ongeborene, en vibhum, de grootste.

Men zou nu kunnen denken dat Arjuna dit alles alleen maar uit vleierij tegen Kṛṣṇa zei omdat Hij zijn vriend was. Maar om zulke twijfels uit de gedachten van de lezers van de Bhagavad-gītā te verdrijven, onderbouwt Arjuna zijn lofuitingen in het volgende vers door te zeggen dat Kṛṣṇa niet alleen door hemzelf als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods aanvaard wordt, maar ook door gezaghebbende personen, zoals Nārada, Asita, Devala en Vyāsadeva. Dit zijn allemaal grote persoonlijkheden, die de Vedische kennis verspreiden zoals die door alle ācārya’s aanvaard wordt. Arjuna zegt daarom tegen Kṛṣṇa dat hij alles wat Hij zegt als volkomen volmaakt aanvaardt. Sarvam etad ṛtaṁ manye: ‘Ik aanvaard alles wat Je zegt als de waarheid.’ Arjuna zegt ook dat het zeer moeilijk is om de persoonlijkheid van de Heer te begrijpen en dat zelfs de halfgoden Hem niet kunnen begrijpen. Dat betekent dat de Heer zelfs niet begrepen kan worden door personen die hoger staan dan menselijke wezens. Hoe zou een menselijk wezen Heer Kṛṣṇa dan kunnen begrijpen zonder Zijn toegewijde te worden?

De Bhagavad-gītā moet benaderd worden met een devotionele mentaliteit. Men moet niet denken gelijk te zijn aan Kṛṣṇa en evenmin dat Kṛṣṇa een gewone of zelfs een zeer grote persoonlijkheid is. Heer Śrī Kṛṣṇa is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Volgens de uitspraken in de Bhagavad-gītā en die van Arjuna, die de Bhagavad-gītā probeert te begrijpen, moeten we dus op zijn minst theoretisch aanvaarden dat Śrī Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is. Met zo’n nederige mentaliteit kunnen we de Bhagavad-gītā begrijpen. Tenzij men de Bhagavad-gītā met een nederige mentaliteit leest, is het zeer moeilijk om de Bhagavad-gītā te begrijpen, omdat ze een groot mysterie is.

Wat is de Bhagavad-gītā eigenlijk? Het doel van de Bhagavad-gītā is om de mensheid te bevrijden van de onwetendheid van het materiële bestaan. Iedereen wordt op zo veel manieren geconfronteerd met problemen, net zoals Arjuna het moeilijk had omdat hij in de Slag van Kurukṣetra moest vechten. Arjuna gaf zich over aan Śrī Kṛṣṇa en daarom werd de Bhagavad-gītā gesproken. Niet alleen Arjuna, maar iedereen is vervuld van zorgen door het materiële bestaan. Ons bestaan zelf bevindt zich in een sfeer van niet-bestaan. Eigenlijk zijn we er niet voor bestemd bedreigd te worden door dit niet-bestaan. Ons bestaan is eeuwig. Maar op de een of andere manier zijn we in asat geplaatst. Asat verwijst naar dat wat niet bestaat.

Van de vele menselijke wezens die lijden, zijn er enkele die werkelijk onderzoek doen naar hun positie, wie ze zijn, waarom ze zich in deze benarde positie bevinden enz. Wie niet tot het punt komt waarop hij zich afvraagt waarom hij moet lijden en niet inziet dat hij dit lijden niet wil, maar dat hij eerder een oplossing moet zien te vinden voor al het lijden, wordt niet als een volmaakt menselijk wezen beschouwd. Het mens-zijn begint pas wanneer zulke vragen in iemands geest opkomen. In het Brahma-sūtra wordt dit onderzoek brahma-jijñāsā genoemd. Athāto brahma-jijñāsā. Behalve wanneer de mens onderzoek doet naar de aard van het Absolute, wordt iedere menselijke activiteit als een mislukking beschouwd. Daarom zijn zij die zich beginnen af te vragen waarom ze lijden of waar ze vandaan komen en waar ze na de dood heen zullen gaan, geschikte studenten om de Bhagavad-gītā te leren begrijpen. De oprechte student moet ook een diep respect hebben voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Arjuna was zo’n student.

Heer Kṛṣṇa daalt vooral neer om het werkelijke doel van het leven opnieuw te vestigen wanneer de mensheid dit doel vergeet. Maar zelfs dan zal er uit vele, vele menselijke wezens die ontwaken, misschien slechts īīn zijn die werkelijk doordringt in het begrijpen van zijn positie; voor die persoon is deze Bhagavad-gītā gesproken. We worden eigenlijk allemaal verslonden door de tijgerin van onwetendheid, maar de Heer is zeer genadig voor de levende wezens en vooral voor de menselijke. Met dit doel sprak Hij de Bhagavad-gītā, waarbij Hij Zijn vriend Arjuna tot Zijn leerling maakte.

Als vriend van Heer Kṛṣṇa was Arjuna boven alle onwetendheid verheven. Maar op het Slagveld van Kurukṣetra werd hij in onwetendheid gebracht, zodat hij Heer Kṛṣṇa vragen zou stellen over de problemen van het leven, waarop de Heer ze voor toekomstige generaties kon beantwoorden en het plan van het leven in grote lijnen kon uitleggen. De mens zou dan in overeenstemming daarmee kunnen handelen en het doel van het menselijk leven volbrengen.

In de Bhagavad-gītā wordt een uiteenzetting gegeven van vijf fundamentele waarheden. Allereerst wordt de wetenschap van God uitgelegd en daarna de wezenlijke positie van de levende wezens, de jīva’s. Aan de ene kant is er de īśvara, wat ‘bestuurder’ betekent, en aan de andere kant zijn er de jīva’s, de levende wezens, die bestuurd worden. Wanneer een levend wezen beweert dat het niet bestuurd wordt maar dat het vrij is, dan is het krankzinnig. Het levend wezen wordt in alle opzichten bestuurd, tenminste zolang het zich in het geconditioneerde bestaan bevindt. De Bhagavad-gītā behandelt dus de īśvara, de allerhoogste bestuurder, en de jīva’s, de levende wezens, die bestuurd worden. Ook worden prakṛti (de materiële natuur), tijd (de bestaansduur van het hele universum of de manifestatie van de materiële natuur) en karma (activiteit) besproken. De materiële kosmos bruist van verschillende activiteiten. Alle levende wezens zijn bezig met verschillende activiteiten. Uit de Bhagavad-gītā moeten we leren wat God is, wat de levende wezens zijn, wat prakṛti is, wat de materiële kosmos is, hoe het levend wezen door de tijd bestuurd wordt en wat zijn activiteiten zijn.

Op grond van deze vijf basisonderwerpen in de Bhagavad-gītā wordt gesteld dat de Allerhoogste Godheid of Kṛṣṇa of Brahman of de allerhoogste bestuurder of Paramātmā — of welke naam je ook kiest — de grootste is van allemaal. De levende wezens zijn kwalitatief gelijk aan de allerhoogste bestuurder. De Heer bestuurt bijvoorbeeld alle mogelijke aangelegenheden binnen de materiële natuur; dit zal worden uitgelegd in latere hoofdstukken van de Bhagavad-gītā. De materiële natuur is niet onafhankelijk, maar werkt onder leiding van de Allerhoogste Heer. Heer Kṛṣṇa zegt: mayādhyakṣeṇa prakṛtiḥ sūyate sa-carācaram — ‘Deze materiële natuur werkt onder Mijn leiding.’ Wanneer we wonderbaarlijke dingen zien gebeuren in de kosmische natuur, dan moeten we begrijpen dat er zich achter deze gemanifesteerde kosmos een bestuurder bevindt. Niets had gemanifesteerd kunnen worden als het niet ook bestuurd werd. Het is kinderachtig om het bestaan van een bestuurder buiten beschouwing te laten. Een kind mag dan bijvoorbeeld denken dat een automobiel het wonderbaarlijke vermogen heeft om te rijden zonder dat hij door een paard of een ander dier voortgetrokken wordt, maar een verstandig persoon weet hoe een auto technisch in elkaar zit. Hij begrijpt altijd dat er achter alle machinerie een mens zit, de bestuurder. Op dezelfde manier is de Allerhoogste Heer de bestuurder onder Wiens leiding alles werkt.

Zoals we in hoofdstuk vijftien zullen lezen, worden de jīva’s, de levende wezens, door de Heer erkend als Zijn integrerende deeltjes. Een klein deeltje goud is ook goud en een druppel water uit de oceaan smaakt ook zout; op dezelfde manier hebben wij als levende wezens, die integrerende deeltjes zijn van de allerhoogste bestuurder, īśvara of Bhagavān, Heer Śrī Kṛṣṇa, alle kwaliteiten van de Allerhoogste Heer in een minieme hoeveelheid, omdat we minieme of ondergeschikte īśvara’s zijn. We proberen de natuur te beheersen en dat is te zien aan de huidige pogingen om de ruimte of de planeten te beheersen; we hebben deze neiging om te besturen omdat ze ook in Kṛṣṇa aanwezig is. Maar ook al hebben we de neiging om de baas te spelen over de materiële natuur, toch moeten we weten dat we niet de allerhoogste bestuurder zijn. Dit wordt in de Bhagavad-gītā uitgelegd.

Wat is de materiële natuur? In de Gītā wordt ze uitgelegd als de ondergeschikte prakṛti, de inferieure natuur. Er wordt uitgelegd dat het levend wezen tot de hogere prakṛti behoort. Of prakṛti nu hoger is of lager, ze wordt altijd bestuurd. Prakṛti is vrouwelijk en wordt bestuurd door de Heer, net zoals de echtgenoot de activiteiten van zijn echtgenote bestuurt. Prakṛti is altijd ondergeschikt en wordt bestuurd door de Heer, die over haar heerst. De levende wezens en de materiële natuur zijn allebei ondergeschikt en worden door de Allerhoogste Heer bestuurd. Hoewel ze integrerende deeltjes van de Allerhoogste Heer zijn, moeten de levende wezens volgens de Gītā beschouwd worden als prakṛti. Dit wordt in het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā duidelijk gezegd. Apareyam itas tv anyāṁ prakṛtiṁ viddhi me parām/ jīva-bhūtām: ‘Deze materiële natuur is Mijn ondergeschikte prakṛti, maar daarbuiten bestaat er nog een andere prakṛti, namelijk jīva-bhūtām, het levend wezen.’

De materiële natuur zelf is samengesteld uit drie kwaliteiten: de hoedanigheid goedheid, de hoedanigheid hartstocht en de hoedanigheid onwetendheid. Boven deze hoedanigheden staat de eeuwige tijd en door de combinatie van deze hoedanigheden van de natuur en onder de controle en de bepalingen van de eeuwige tijd is er sprake van activiteiten, die karma genoemd worden. Deze activiteiten zijn al sinds onheuglijke tijden aan de gang en we lijden door of genieten van de vruchten van onze activiteiten. Stel dat ik een zakenman ben die zeer hard en met veel vernuft heeft gewerkt en dat ik daardoor een grote hoeveelheid geld op de bank heb. Ik ben dan een genieter. Maar wanneer ik daarna bijvoorbeeld al mijn geld verlies tijdens het zakendoen, dan ben ik iemand die lijdt. Op dezelfde manier genieten we op elk gebied van ons leven van de resultaten van onze activiteit of zullen we erdoor lijden. Dit wordt karma genoemd.

Īśvara (de Allerhoogste Heer), jīva (het levend wezen), prakṛti (de materiële natuur), kāla (de eeuwige tijd) en karma (activiteit) worden in de Bhagavad-gītā allemaal uitgelegd. Van deze vijf zijn de Heer, de levende wezens, de materiële natuur en de tijd eeuwig. Prakṛti mag dan tijdelijk manifest zijn, maar ze is niet vals. Sommige filosofen zeggen dat de manifestatie van de materiële natuur vals is, maar volgens de filosofie van de Bhagavad-gītā of volgens de filosofie van de vaiṣṇava’s is dit niet het geval. De manifestatie van de wereld wordt niet als vals beschouwd; ze wordt als werkelijk beschouwd, maar ook als tijdelijk. Het wordt vergeleken met een wolk die in de lucht drijft of met het komen van het regenseizoen dat de granen voedt. Zodra het regenseizoen voorbij is en de wolk weggaat, drogen alle gewassen op die door de regen gevoed werden. Op dezelfde manier vindt de manifestatie van de materiële natuur plaats binnen een bepaalde periode, is ze voor een bepaalde tijd aanwezig en verdwijnt dan weer. Zo werkt prakṛti. Maar deze cyclus gaat eeuwig door. Daarom is prakṛti eeuwig; ze is niet vals en de Heer verwijst naar haar als ‘Mijn prakṛti.’ Deze materiële natuur is de afgescheiden energie van de Allerhoogste Heer en de levende wezens zijn ook een energie van de Allerhoogste Heer, hoewel ze niet afgescheiden zijn maar een eeuwige band met Hem hebben. Op die manier zijn de Heer, het levend wezen, de materiële natuur en de tijd met elkaar verbonden en ze zijn allemaal eeuwig. Maar het andere element, namelijk karma, is niet eeuwig. De effecten van karma kunnen zeker oorzaken hebben in een ver verleden. Sinds onheuglijke tijden lijden we door of genieten we van de resultaten van onze activiteiten, maar we kunnen de resultaten van ons karma of onze activiteiten veranderen en deze verandering hangt af van de volmaaktheid van onze kennis. We zijn met zoveel activiteiten bezig. En ongetwijfeld is het zo dat we niet weten welke activiteiten we moeten verrichten om bevrijd te raken van de acties en reacties van al deze activiteiten, maar ook dat wordt uitgelegd in de Bhagavad-gītā.

De positie van īśvara is die van het allerhoogste bewustzijn. De jīva’s, de levende wezens, die integrerende deeltjes zijn van de Allerhoogste Heer, hebben ook bewustzijn. We hebben uitgelegd dat zowel het levend wezen als de materiële natuur prakṛti, de energie van de Allerhoogste Heer, is, maar van deze twee heeft de jīva bewustzijn. De andere prakṛti heeft geen bewustzijn, dat is het verschil. De jīva-prakṛti wordt daarom hoger genoemd, want de jīva heeft een soortgelijk bewustzijn als dat van de Heer. Maar dat van de Heer is het allerhoogste bewustzijn en men moet niet beweren dat de jīva, het levend wezen, ook het allerhoogste bewustzijn heeft. Het levend wezen kan op geen enkel niveau van zijn ontwikkeling tot volmaaktheid het allerhoogste bewustzijn hebben en de theorie die beweert dat dat wel kan, is een misleidende theorie. Het levend wezen mag dan bewust zijn, maar het kan nooit het allerhoogste of volmaakte bewustzijn bezitten.

Het onderscheid tussen de jīva en de īśvara zal in hoofdstuk dertien van de Bhagavad-gītā worden uitgelegd. De Heer is kṣetra-jña, bewust, en het levend wezen is dat ook, maar het levend wezen is zich alleen bewust van zijn eigen lichaam, terwijl de Heer Zich bewust is van alle lichamen. Omdat de Heer aanwezig is in het hart van ieder levend wezen, is Hij Zich bewust van de psychische activiteit van de afzonderlijke jīva’s. We mogen dit niet vergeten. Er wordt ook uitgelegd dat de Paramātmā, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, aanwezig is in ieders hart als īśvara, als de bestuurder, en dat Hij aanwijzingen geeft aan het levend wezen om te doen wat het verlangt. Het levend wezen vergeet wat het moet doen. Het maakt allereerst het besluit om op een bepaalde manier actief te zijn, waarna het verstrikt raakt in de acties en reacties van zijn eigen karma. Nadat het een bepaald lichaam heeft opgegeven, gaat het binnen in een andere type lichaam zoals we kleren aan en uittrekken. Terwijl de ziel op die manier verhuist, lijdt ze door haar activiteiten en door de reacties die ze ondergaat als gevolg van vroegere acties. Die activiteiten kunnen veranderd worden wanneer het levend wezen in de hoedanigheid goedheid is, wanneer het een gezond verstand heeft en het begrijpt met wat voor soort activiteiten het zich moet bezighouden. Wanneer het dat begrijpt, kunnen alle acties en reacties van vroegere activiteiten worden veranderd. Karma is dus niet eeuwig. We hebben daarom gezegd dat van de vijf onderdelen (īśvara, jīva, prakṛti, tijd en karma) er vier eeuwig zijn, maar dat karma niet eeuwig is.

De īśvara, die het allerhoogste bewustzijn heeft, is op de volgende manier gelijk aan het levend wezen: zowel het bewustzijn van de Heer als dat van het levend wezen is transcendentaal. Bewustzijn wordt niet veroorzaakt door contact tussen materiedeeltjes onderling — dat is een misvatting. De theorie dat bewustzijn zich onder bepaalde voorwaarden uit verbindingen van materie ontwikkelt, wordt niet aanvaard in de Bhagavad-gītā. Het bewustzijn mag dan op een verwrongen manier weerspiegeld zijn door de bedekking van materiële omstandigheden, net zoals licht dat door gekleurd glas weerspiegeld wordt een bepaalde kleur lijkt te hebben, maar het bewustzijn van de Heer wordt niet beïnvloed door materie. Heer Kṛṣṇa zegt: mayādhyakṣeṇa prakṛtiḥ. Wanneer Hij in het materiële universum neerdaalt, raakt Zijn bewustzijn niet door materie beïnvloed. Zou dat wel het geval zijn, dan zou Hij ongeschikt zijn om over transcendentale onderwerpen te spreken zoals Hij dat doet in de Bhagavad-gītā. Niemand kan iets over de transcendentale wereld zeggen zonder vrij te zijn van een materieel besmet bewustzijn. De Heer is dus niet besmet door materie. Maar op dit moment is ons bewustzijn wīl besmet door materie. De Bhagavad-gītā leert dat we dit materieel besmette bewustzijn moeten zuiveren. Wanneer ons bewustzijn zuiver is, zullen onze activiteiten in verbinding staan met de wil van de īśvara en daardoor zullen we gelukkig worden. We hoeven niet alle activiteiten te stoppen. Het is eerder zo dat onze activiteiten gezuiverd moeten worden, en gezuiverde activiteiten worden bhakti genoemd. Activiteiten die met bhakti gedaan worden, lijken ogenschijnlijk op gewone activiteiten, maar ze zijn onbesmet. Een onwetend persoon zou een toegewijde kunnen zien als iemand die bezig is of werkt als een gewoon mens, maar zo’n persoon met armzalige kennis weet niet dat de activiteiten van de toegewijde of die van de Heer niet besmet zijn door een onzuiver bewustzijn of door materie. Zulke activiteiten zijn ontstegen aan de drie hoedanigheden van de materiële natuur. Maar we moeten wel begrijpen dat ons huidig bewustzijn besmet is.

Wanneer we materieel besmet zijn, worden we geconditioneerd genoemd. Een vals bewustzijn doet zich voor wanneer we veronderstellen dat we een product zijn van de materiële natuur. Dat wordt vals ego genoemd. Wie in beslag wordt genomen door gedachten en opvattingen die betrekking hebben op het lichaam, kan de situatie waarin hij verkeert niet begrijpen. De Bhagavad-gītā werd gesproken om iedereen te bevrijden van de lichamelijke levensopvatting en Arjuna aanvaardde deze positie om zo kennis van de Heer te ontvangen. Men moet zich bevrijden van de lichamelijke levensopvatting; dat is de voorbereiding waarmee een transcendentalist zich ten eerste bezighoudt. Wie zich vrij wil maken, wie bevrijd wil worden, moet allereerst leren dat hij niet dit materiële lichaam is. Mukti of bevrijding betekent vrij zijn van een materieel bewustzijn. De definitie van bevrijding wordt ook in het Śrīmad-Bhāgavatam gegeven. Muktir hitvānyathā-rūpaṁ svarūpeṇa vyavasthitiḥ: mukti betekent bevrijding van het besmette bewustzijn van deze wereld en verankerd zijn in zuiver bewustzijn. Het doel van alle instructies in de Bhagavad-gītā is het doen ontwaken van dit zuivere bewustzijn en we zien dat Kṛṣṇa daarom aan het einde van de instructies in de Gītā aan Arjuna vraagt of zijn bewustzijn nu zuiver is. Een gezuiverd bewustzijn wil zeggen: handelen volgens de instructies van de Heer. Dat is de hele essentie van het gezuiverde bewustzijn. Bewustzijn is al aanwezig omdat we integrerende deeltjes van de Heer zijn, maar we hebben de neiging om beïnvloed te raken door de lagere hoedanigheden. Maar omdat Hij de Heer is, de Allerhoogste, wordt Hij nooit beïnvloed. Dat is het verschil tussen de Allerhoogste Heer en de kleine, individuele zielen.

Wat is dit bewustzijn? Dit bewustzijn betekent ‘Ik ben.’ Maar wat ben ik? In een besmet bewustzijn betekent ‘Ik ben’ zoveel als ‘Ik ben de heer van alles binnen mijn bereik. Ik ben de genieter.’ De aarde draait omdat ieder levend wezen denkt dat het de heer en schepper van de materiële wereld is. Het materiële bewustzijn kent twee psychische onderverdelingen. De eerste is dat ik de schepper ben en de tweede dat ik de genieter ben. Maar eigenlijk is de Allerhoogste Heer zowel de schepper als de genieter en omdat het levend wezen een integrerend deeltje is van de Allerhoogste Heer, is het schepper noch genieter, maar is het een samenwerker. Het is dat wat geschapen is en wat genoten wordt. Een onderdeel van een machine werkt bijvoorbeeld samen met de hele machine en een bepaald lichaamsdeel werkt samen met het hele lichaam. De handen, benen, ogen enz. zijn allemaal delen van het lichaam, maar ze zijn niet werkelijk de genieters; de maag is de genieter. De benen bewegen zich voort, de handen leveren het voedsel aan, de tanden kauwen en alle lichaamsdelen zijn bezig met het tevredenstellen van de maag, omdat de maag de belangrijkste factor is in het voeden van het organisme van het lichaam. Alles wordt daarom aan de maag gegeven. Een boom kan gevoed worden door water op de wortels te gieten en het lichaam kan gevoed worden door de maag van voedsel te voorzien. Wil men het lichaam gezond houden, dan moeten de lichaamsdelen samenwerken om de maag te voeden. Op dezelfde manier is de Allerhoogste Heer de genieter en de Schepper, en als ondergeschikte levende wezens zijn wij ervoor bedoeld om samen te werken om Hem tevreden te stellen. Deze samenwerking zal ons echt helpen, net zoals het voedsel dat door de maag opgenomen wordt alle andere delen van het lichaam zal helpen. Als de vingers van de handen denken dat ze het voedsel zelf moeten nemen in plaats van het aan de maag te geven, dan zullen ze gefrustreerd worden. De centrale persoon van de schepping en van genot is de Allerhoogste Heer en alle levende wezens zijn samenwerkers; door deze samenwerking genieten ze. De relatie is ook als die tussen meester en dienaar. Als de meester volledig tevreden is, dan is de dienaar dat ook. Op dezelfde manier moet de Allerhoogste Heer tevreden worden gesteld, ook al is de neiging om de schepper te zijn en van de materiële wereld te genieten ook in het levend wezen aanwezig. Het heeft deze neigingen omdat die ook aanwezig zijn in de Allerhoogste Heer, die de gemanifesteerde kosmos heeft geschapen.

In de Bhagavad-gītā zullen we zien dat het complete geheel bestaat uit de allerhoogste bestuurder, het levend wezen dat bestuurd wordt, de kosmische verschijning, de eeuwige tijd en karma of activiteiten, en ze worden allemaal uitgelegd in de tekst. Al deze elementen samen vormen het complete geheel en het complete geheel wordt de Allerhoogste Absolute Waarheid genoemd. Het complete geheel en de complete Absolute Waarheid zijn de complete Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa. Al het gemanifesteerde is het gevolg van Zijn verschillende energieën. Hij is het complete geheel.

In de Gītā wordt verder uitgelegd dat ook het onpersoonlijk Brahman ondergeschikt is aan de complete Allerhoogste Persoonlijkheid (brahmaṇo hi prati-ṣṭāham). In het Brahma-sūtra wordt het Brahman nader uitgelegd als de lichtstralen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods; het onpersoonlijk Brahman is Zijn lichtgloed. Het besef van het onpersoonlijk Brahman-aspect van het absolute geheel is incompleet en het besef van Paramātmā is dat ook. In het vijftiende hoofdstuk zal duidelijk worden dat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Puruṣottama, verheven is boven zowel het onpersoonlijk Brahman als de Paramātmā, die gedeeltelijke aspecten zijn. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods wordt sac-cid-ānanda-vigraha genoemd. De Brahma-saṁhitā begint als volgt: īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ sac-cid-ānanda-vigrahaḥ/ anādir ādir govindaḥ sarva-kāraṇa-kāra-ṇam. ‘Govinda, Kṛṣṇa, is de oorzaak van alle oorzaken. Hij is de oeroorzaak en de vorm van eeuwigheid, kennis en gelukzaligheid.’ Zich bewust worden van het onpersoonlijk Brahman is zich bewust worden van Zijn sat-aspect (eeuwigheid). Bewustwording van de Paramātmā is bewustwording van sat-cit (eeuwige kennis). Maar bewustwording van de Pesoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, is bewustwording van alle transcendentale aspecten: sat, cit en ānanda (eeuwigheid, kennis en gelukzaligheid) in volledige vigraha (vorm).

Mensen met weinig intelligentie denken dat de Absolute Waarheid onpersoonlijk is, maar Hij is een transcendentale persoon en dat wordt in de hele Vedische literatuur bevestigd. Nityo nityānāṁ cetanaś cetanānām (Kaṭha Upaniṣad 2.2.13). Net zoals wij allemaal individuele levende wezens zijn en onze eigen individualiteit hebben, zo is de Absolute Waarheid uiteindelijk ook een persoon en is bewustwording van de Persoonlijkheid Gods het zich bewustworden van alle transcendentale aspecten die zich in Zijn complete vorm bevinden. Het complete geheel is niet vormloos. Als Hij vormloos zou zijn of als Hij in welk opzicht dan ook minder zou zijn dan Zijn schepping, dan zou Hij niet het complete geheel kunnen zijn. Het complete geheel moet alles wat binnen en buiten onze ervaring ligt omvatten, anders kan het niet compleet zijn.

Het complete geheel, de Persoonlijkheid Gods, heeft immense vermogens (parāsya śaktir vividhaiva śrūyate). Hoe Kṛṣṇa actief is met verschillende vermogens, wordt ook uitgelegd in de Bhagavad-gītā. Deze waarneembare of materiële wereld waarin we geplaatst zijn, is compleet in zichzelf, omdat de vierentwintig elementen waarvan dit materiële universum volgens de sāṅkhya-filosofie een tijdelijke manifestatie is, volledig afgesteld zijn om alle benodigdheden voor het onderhoud en het bestaan van dit universum te produceren. Niets is overbodig en evenmin is er aan iets een tekort. Deze manifestatie heeft een eigen tijdsduur en die is bepaald door de energie van het complete geheel; wanneer deze tijdsduur verstreken is, zullen al deze tijdelijke manifestaties worden vernietigd door de complete regeling van Hem die compleet is. Voor de kleine, complete eenheden, namelijk de levende wezens, is er volop gelegenheid om zich bewust te worden van het complete geheel en ze ervaren allerlei vormen van incompleetheid door incomplete kennis van dat complete geheel. De Bhagavad-gītā omvat de complete kennis van de Vedische wijsheid.

Alle Vedische kennis is onfeilbaar en de hindoes aanvaarden de vedische kennis als complete en onfeilbare kennis. Koeienmest is bijvoorbeeld dierlijke ontlasting en volgens de smṛti of de Vedische voorschriften moet men een bad nemen om zich te reinigen als men in aanraking is geweest met de uitwerpselen van een dier. Maar koeienmest wordt in de Vedische teksten beschouwd als een reinigend middel. Nu kan men dit als een tegenstrijdigheid zien, maar het wordt aanvaard omdat het een Vedisch voorschrift is en men begaat zeker geen fout als men het aanvaardt. De moderne wetenschap heeft later bewezen dat koeienmest alle ontsmettende eigenschappen bezit. De Vedische kennis is dus compleet omdat ze boven alle twijfels en fouten staat en de Bhagavad-gītā is de essentie van alle Vedische kennis.

De Vedische kennis is geen kwestie van research. Onze research naar dingen is onvolmaakt, omdat we het met onvolmaakte zintuigen doen. We moeten volmaakte kennis aanvaarden, die ons via de paramparā (opeenvolging van discipelen) bereikt zoals in de Bhagavad-gītā beschreven wordt. We moeten kennis ontvangen vanuit de juiste bron, die verbonden is met de opeenvolging van discipelen, beginnend met de allerhoogste spiritueel leraar, de Heer Zelf, en die kennis moet overgedragen zijn aan een opeenvolging van spiritueel leraren. Arjuna was een leerling van Heer Śrī Kṛṣṇa en aanvaardde alles wat Hij zei zonder Hem tegen te spreken. We mogen niet een bepaald deel van de Bhagavad-gītā aanvaarden en een ander deel verwerpen. Nee. We moeten de Bhagavad-gītā aanvaarden zonder interpretatie, zonder weglatingen en we mogen er niet zomaar mee doen wat we willen.

De Gītā moet worden gezien als de volmaaktste verwoording van de Vedische kennis. Vedische kennis wordt verkregen uit transcendentale bronnen en werd voor het eerst door de Heer Zelf gesproken. De woorden die de Heer Zelf spreekt, worden apauruṣeya genoemd, wat betekent dat ze verschillen van woorden die gesproken worden door een persoon van deze wereld, die behept is met vier gebreken. Een werelds persoon (1) maakt zeker fouten, (2) verkeert steevast in illusie, (3) heeft de neiging om anderen te bedriegen en (4) is beperkt door onvolmaakte zintuigen. Wie deze vier gebreken heeft, kan geen perfecte, transcendentale kennis overdragen.

De Vedische kennis wordt niet door zulke onvolmaakte levende wezens overgedragen. Ze werd onthuld in het hart van Brahmā, het eerstgeschapen levend wezen, en Brahmā verspreidde deze kennis vervolgens onder zijn zonen en discipelen zoals hij haar oorspronkelijk van de Heer ontvangen had. De Heer is pūrṇam, volkomen volmaakt, en Hij kan onmogelijk onderhevig raken aan de wetten van de materiële natuur. Men moet daarom intelligent genoeg zijn om te begrijpen dat de Heer de enige bezitter is van alles in het universum en dat Hij de oorspronkelijke schepper is, de schepper van Brahmā. In het elfde hoofdstuk wordt de Heer aangesproken met prapitāmaha, omdat Hij de schepper is van Brahmā, die aangesproken werd met pitāmaha, de grootvader. Niemand zou dus moeten beweren dat hij van wat dan ook de eigenaar is; men moet alleen die dingen aanvaarden, die de Heer voor hem gereserveerd heeft als quota voor zijn onderhoud.

Er zijn veel voorbeelden van hoe we de dingen die de Heer voor ons heeft gereserveerd moeten gebruiken. Ook dit wordt in de Bhagavad-gītā uitgelegd. Aanvankelijk besloot Arjuna dat hij niet zou vechten in de Slag van Kurukṣetra. Dat was zijn eigen beslissing. Arjuna vertelde de Heer dat hij onmogelijk van het koninkrijk zou kunnen genieten na het doden van zijn familieleden. Deze beslissing was gebaseerd op het lichaam, omdat hij dacht dat hij het lichaam was en dat zijn broers, neven, zwagers, grootvaders enz. zijn lichamelijke relaties of expansies waren. Met andere woorden, hij wilde zijn lichamelijke verlangens vervullen. De Heer sprak de Bhagavad-gītā om deze opvatting te veranderen en uiteindelijk besloot Arjuna te vechten onder leiding van de Heer toen hij zei: kariṣye vacanaṁ tava — ‘Ik zal doen wat Je mij gezegd hebt.’

De mensen in deze wereld zijn er niet voor bedoeld om te vechten als katten en honden; mensen moeten intelligent genoeg zijn om het belang van het men-selijk leven te beseffen en ze zouden zichzelf niet moeten toestaan om zich als gewone dieren te gedragen. Een menselijk wezen moet doordrongen zijn van het doel van zijn leven. Deze aanwijzing wordt in de hele Vedische literatuur gegeven en de essentie daarvan is te vinden in de Bhagavad-gītā. De Vedische literatuur is bedoeld voor mensen en niet voor dieren. Dieren kunnen andere dieren doden en er is dan geen sprake van dat ze daardoor een zonde begaan. Maar als een mens een dier doodt, alleen maar om zijn onbeheerste tong tevreden te stellen, dan overtreedt hij de wetten van de natuur en wordt hij daarvoor verantwoordelijk gehouden. In de Bhagavad-gītā wordt duidelijk uitgelegd dat er drie soorten activiteiten zijn overeenkomstig de drie hoedanigheden van de materiële natuur: activiteiten in goedheid, in hartstocht en in onwetendheid. Op dezelfde manier zijn er ook drie verschillende voedselsoorten: voedsel in goedheid, in hartstocht en in onwetendheid. Dit wordt allemaal duidelijk beschreven en als we de instructies in de Bhagavad-gītā op de juiste manier naleven, dan zal ons hele leven gezuiverd raken en zullen we uiteindelijk in staat zijn om die bestemming te bereiken die ontstegen is aan de materiële wereld (yad gatvā na nivartante tad dhāma paramaṁ mama).

Die bestemming wordt de sanātana-hemel genoemd, de eeuwige, spirituele hemel. In de materiële wereld zien we dat alles tijdelijk is. Iets ontstaat, blijft enige tijd bestaan, produceert enkele bijproducten, vervalt en verdwijnt vervolgens. Dat is de wet van de materiële wereld, ongeacht of we het lichaam als voorbeeld gebruiken of een stuk fruit of wat dan ook. Maar buiten de materiële wereld bestaat een andere wereld waarover we informatie hebben. Die wereld is van een andere natuur, namelijk een die sanātana is of eeuwig. De jīva wordt ook beschreven als sanātana, als eeuwig, en ook de Heer wordt in het elfde hoofdstuk beschreven als sanātana. We hebben een intieme relatie met de Heer en omdat we allemaal kwalitatief gelijk zijn — de sanātana-dhāma of de hemel, de sanātana Allerhoogste Persoonlijkheid en de sanātana levende wezens — is het uiteindelijke doel van de Bhagavad-gītā om ons aan te sporen onze sanātana-bezigheid op te pakken, namelijk sanātana-dharma, de eeuwige bezigheid van het levend wezen. We zijn nu bezig met verschillende tijdelijke activiteiten, maar al onze activiteiten kunnen worden gezuiverd wanneer we deze tijdelijke activiteiten allemaal opgeven en activiteiten gaan verrichten die door de Heer zijn voorgeschreven. Dat wordt ons zuivere leven genoemd.

De Allerhoogste Heer en Zijn transcendentale woning zijn allebei sanātana; de levende wezens zijn dat ook en de onderlinge omgang tussen de Allerhoogste Heer en de levende wezens in die woning die sanātana is, is de volmaaktheid van het menselijk leven. De Heer is heel vriendelijk voor de levende wezens omdat ze Zijn zonen zijn. De Heer verklaart in de Bhagavad-gītā: ‘Ik ben de vader van iedereen’ (sarva-yoniṣu...ahaṁ bīja-pradaḥ pitā). Er zijn natuurlijk allerlei typen levende wezens op grond van hun verschillend karma, maar de Heer verklaart dat Hij de vader is van hen allemaal. De Heer daalt daarom neer om al deze gevallen, geconditioneerde zielen weer op het rechte pad te zetten en ze terug te roepen naar de sanātana-hemel, zodat de sanātana-levende wezens hun sanātana-posities weer kunnen innemen in het eeuwige gezelschap van de Heer. De Heer komt Zelf in verschillende incarnaties of Hij stuurt Zijn vertrouwelijke dienaren als zonen of Zijn metgezellen of ācārya’s om de geconditioneerde zielen te hervormen.

Sanātana-dharma verwijst niet naar een sektarisch proces van religie. Het is de eeuwige functie van de eeuwige levende wezens in hun relatie met de eeuwige Allerhoogste Heer. Zoals gezegd, sanātana-dharma verwijst naar de eeuwige bezigheid van het levend wezen. Śrīpāda Rāmānujācārya heeft het woord ‘sanātana’ uitgelegd als ‘dat wat geen begin en geen einde heeft’. Wanneer we dus over sanātana-dharma spreken, dan moeten we eenvoudig op het gezag van Śrīpāda Rāmānujācārya aannemen dat het geen begin en geen einde heeft.

Er is een verschil tussen het Nederlandse woord ‘religie’ en ‘sanātana-dharma’. Het woord ‘religie’ omsluit het idee van geloof en geloof kan veranderen. Wie geloof heeft in een bepaald proces, kan dat geloof veranderen en een ander aanvaarden. Maar ‘sanātana-dharma’ verwijst naar die activiteit, die niet veranderd kan worden. Om een voorbeeld te geven: vochtigheid kan niet onttrokken worden aan water en evenmin kan hitte worden onttrokken aan vuur. Op dezelfde manier kan de eeuwige functie van het eeuwig levend wezen niet onttrokken worden aan dat levend wezen. Sanātana-dharma zal eeuwig inherent zijn aan het levend wezen. Wanneer we daarom over sanātana-dharma spreken, moeten we eenvoudig op het gezag van Śrīpāda Rāmānujācārya aannemen dat het geen begin en geen einde heeft. Dat wat geen begin en geen einde heeft, kan niet sektarisch zijn, omdat het door geen enkele beperking begrensd kan worden. Wie een sektarisch geloof aanhangt, zal ten onrechte denken dat sanātana-dharma ook sektarisch is, maar als we diep op de zaak ingaan en het beschouwen vanuit het perspectief van de moderne wetenschap, dan kunnen we inzien dat sanātana-dharma de bezigheid is van alle mensen van de wereld, ja zelfs van alle levende wezens van het universum.

Een religieuze geloofsovertuiging die niet-sanātana is, kan ergens in de kronieken van de menselijke geschiedenis een begin hebben, maar er bestaat geen begin van de geschiedenis van sanātana-dharma, omdat het eeuwig inherent blijft aan de levende wezens. Over die levende wezens wordt in de gezaghebbende śāstra’s (heilige teksten) gesteld dat ze niet geboren worden en niet sterven. In de Gītā wordt gesteld dat het levend wezen nooit geboren wordt en dat het nooit sterft. Het is eeuwig en onvernietigbaar en blijft verder leven na de vernietiging van zijn tijdelijke materiële lichaam. Met betrekking tot het concept van sanātana-dharma moeten we het concept van religie proberen te begrijpen vanuit de grondbetekenis van het woord in het Sanskriet. Dharma verwijst naar dat wat voortdurend aanwezig is bij een bepaald voorwerp. We kunnen vaststellen dat vuur gepaard gaat met hitte en licht; zonder hitte en licht heeft het woord ‘vuur’ geen betekenis. Op dezelfde manier moeten we het essentiële deel van het levend wezen zien te ontdekken, dat deel dat zijn voortdurende metgezel is. Die voortdurende metgezel is zijn eeuwige functie en die eeuwige functie is zijn eeuwige religie.

Toen Sanātana Gosvāmī aan Śrī Caitanya Mahāprabhu vroeg wat de svarūpa van ieder levend wezen is, antwoordde de Heer dat het verlenen van dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods de svarūpa of de wezenlijke positie van het levend wezen is. Als we deze uitspraak van Heer Caitanya analyseren, dan kunnen we gemakkelijk inzien dat ieder levend wezen voortdurend bezig is met het dienen van een ander levend wezen. Een levend wezen dient andere levende wezens in verschillende rollen en op die manier geniet het van het leven. De dieren, die lager staan, dienen de mens zoals dienaren hun meester dienen. A dient meester B, B dient meester C, C dient meester D enz. Aan de hand hiervan zien we dat de ene vriend de andere vriend dient, dat de moeder haar zoon dient, dat de vrouw haar man dient en de man zijn vrouw enz. Als we op die manier verder zoeken, zullen we zien dat er in de samenleving van de levende wezens geen uitzondering bestaat wat betreft het dienen van anderen. De politicus presenteert zijn verkiezingsprogramma aan de kiezers om hen te overtuigen van zijn bekwaamheid tot dienen. De kiezers geven hem hun waardevolle stemmen, omdat ze denken dat hij de samenleving op een waardevolle manier van dienst kan zijn. De winkelier dient de klant en de arbeider dient de kapitalist. De kapitalist dient het gezin en het gezin dient de staat overeenkomstig de eeuwige functie van het levend wezen. Op die manier kunnen we zien dat geen enkel levend wezen vrijgesteld is van het dienen van andere levende wezens en we kunnen daarom met zekerheid concluderen dat dienstverlening de voortdurende metgezel is van het levend wezen en dat het verlenen van dienst de eeuwige religie van het levend wezen is.

Toch betuigt de mens zijn verbondenheid met een bepaald type geloof afhankelijk van tijd en omstandigheid en beweert zo een hindoe, een moslim, een christen, een boeddhist of een aanhanger van welke andere geloofsgemeenschap dan ook te zijn. Zulke benamingen zijn non-sanātana-dharma. Een hindoe kan van geloof veranderen en een moslim worden of een moslim kan tot een ander geloof overgaan en een hindoe worden of een christen kan van geloof veranderen enz. Maar in al deze gevallen brengt een verandering van geloof geen verandering in de eeuwige functie van het dienen van anderen. De hindoe, de moslim of de christen zijn in alle omstandigheden een dienaar van iemand anders. Met het aanhangen van een bepaald type geloof belijdt men dus niet zijn sanātana-dharma. Dienstbaar zijn is sanātana-dharma.

Het is een feit dat we in verbinding staan met de Allerhoogste Heer door middel van dienstbaarheid. De Allerhoogste Heer is de allerhoogste genieter en als levende wezens zijn wij Zijn dienaren. We zijn geschapen voor Zijn plezier en als we Hem van dienst zijn in dat plezier, dan zullen we gelukkig worden. We kunnen niet op een andere manier gelukkig worden. Het is onmogelijk om onafhankelijk te zijn en gelukkig te worden, zoals geen enkel lichaamsdeel gelukkig kan worden zonder samen te werken met de maag. Het levend wezen kan onmogelijk gelukkig worden zonder de Allerhoogste Heer transcendentale liefdedienst te bewijzen.

In de Bhagavad-gītā wordt het vereren of het dienen van de verschillende halfgoden niet goedgekeurd. In het zevende hoofdstuk wordt in tekst twintig het volgende gesteld:

kāmais tais tair hṛta-jñānāḥ, prapadyante ’nya-devatāḥ
taṁ taṁ niyamam āsthāya, prakṛtyā niyatāḥ svayā

‘Zij die door materiële verlangens van hun verstand beroofd zijn, geven zich over aan de halfgoden en volgen de specifieke regels en bepalingen van verering die overeenkomen met hun eigen aard.’ Hier wordt duidelijk gezegd dat zij die door lust geleid worden de halfgoden vereren en niet de Allerhoogste Heer Kṛṣṇa.

Wanneer we spreken van de naam Kṛṣṇa, dan verwijzen we daarmee niet naar een sektarische naam. Kṛṣṇa betekent de allerhoogste vreugde en er wordt geschreven dat de Allerhoogste Heer de onuitputtelijke bron of het reservoir van alle vreugde is. We hunkeren allemaal naar vreugde. Ānanda-mayo ’bhyāsāt (Vedānta-sūtra 1.1.12). De levende wezens zijn net als de Heer vol bewustzijn en zoeken naar geluk. De Heer is eeuwig gelukkig en als de levende wezens met Hem omgaan, met Hem samenwerken en Zich in Zijn gezelschap bevinden, dan worden zij ook gelukkig.

De Heer daalt af naar deze vergankelijke wereld om in Vṛndāvana Zijn activiteiten van vermaak te tonen, die vol geluk zijn. Toen Heer Kṛṣṇa in Vṛndāvana was, waren al Zijn activiteiten met Zijn vrienden, de koeherders, met Zijn jonge vriendinnen, met de andere inwoners van Vṛndāvana en met de koeien vol geluk. De volledige bevolking van Vṛndāvana dacht aan niemand anders dan Kṛṣṇa. Maar ondanks dat weerhield Heer Kṛṣṇa Zijn vader Nanda Mahārāja ervan om de halfgod Indra te vereren, omdat Hij duidelijk wilde maken dat mensen geen enkele halfgod hoeven te vereren. Ze hoeven alleen de Allerhoogste Heer te vereren, omdat het hun uiteindelijke doel is terug te keren naar Zijn woning.

De woning van Heer Śrī Kṛṣṇa wordt in het vijftiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā, tekst zes, beschreven:

na tad bhāsayate sūryo, na śaśāṅko na pāvakaḥ
yad gatvā na nivartante, tad dhāma paramaṁ mama

‘Die allerhoogste woning van Mij wordt niet verlicht door de zon of de maan en evenmin door vuur of elektriciteit. Zij die haar bereiken, komen nooit meer terug naar de materiële wereld.’

Dit vers geeft een beschrijving van die eeuwige hemel. Natuurlijk hebben we een materiële opvatting van de hemel en we hebben hierbij een zon, maan, sterren enz. in gedachten, maar in dit vers zegt de Heer dat er in de eeuwige hemel geen behoefte is aan een zon en evenmin aan een maan of elektriciteit of vuur van welke soort dan ook, omdat de spirituele hemel al verlicht wordt door de brahmajyoti, het licht dat van de Allerhoogste Heer afstraalt. Met veel moeite proberen we andere planeten te bereiken, maar het is niet moeilijk om de woonplaats van de Allerhoogste Heer te begrijpen. Deze woonplaats wordt Goloka genoemd en in de Brahma-saṁhitā (5.37) wordt het prachtig beschreven: goloka eva nivasaty akhilātma-bhūtaḥ. De Heer verblijft eeuwig in zijn woning Goloka, maar Hij kan bereikt worden vanuit deze wereld en met dit doel manifesteert Hij Zijn ware gedaante, sac-cid-ānanda-vigraha. Zodra Hij deze gedaante manifesteert, hoeven we niet meer te speculeren over hoe Hij eruitziet. Om zulk creatief speculeren te ontmoedigen daalt Hij neer en toont Hij Zichzelf zoals Hij is, als Śyāmasundara. Maar jammer genoeg bespotten de minder intelligente personen Hem, omdat Hij als een van ons komt en Zich met ons vermaakt als een menselijk wezen. Maar dat is geen reden om de Heer als een van de onzen te beschouwen. Door Zijn almacht verschijnt Hij voor ons in Zijn ware vorm en openbaart Hij Zijn activiteiten van vermaak, die een replica zijn van de activiteiten van vermaak die in Zijn woning plaatsvinden.

In de lichtstralen van de spirituele hemel zweven ontelbare planeten. De brahmajyoti wordt uitgestraald door de allerhoogste woning, namelijk Kṛṣṇaloka, en de ānanda-maya-, cin-maya-planeten, die niet materieel zijn, zweven in die stralen. De Heer zegt: na tad bhāsayate sūryo na śaśāṅko na pāvakaḥ/ yad gatvā na nivartante tad dhāma paramaṁ mama. Wie die spirituele hemel weet te bereiken, hoeft niet meer naar de materiële hemel af te dalen. In de materiële hemel zullen we dezelfde levensomstandigheden tegenkomen: geboorte, dood, ziekte en ouderdom, ook al bereiken we de hoogste planeet (Brahmaloka), om niet te spreken van de maan. Geen enkele planeet in het materiële universum is vrij van deze vier onderdelen van het materiële bestaan.

De levende wezens reizen van planeet naar planeet, maar we kunnen niet eenvoudigweg op een mechanische manier naar elke gewenste planeet gaan. Als we naar andere planeten willen gaan, dan bestaat daarvoor een proces, dat als volgt wordt beschreven: yānti deva-vratā devān pitṝn yānti pitṛ-vratāḥ. Als we interplanetair willen reizen, dan hebben we daarvoor geen mechanisch toestel nodig. De Gītā geeft de volgende instructie: yānti deva-vratā devān. De maan, de zon en de hogere planeten worden Svargaloka genoemd. De planeten zijn onderverdeeld in drie categorieën: de hogere, de middelste en de lagere planetenstelsels. De aarde maakt deel uit van het middelste planetenstelsel. De Bhagavad-gītā
geeft ons de kennis over hoe we via een simpele methode naar de hogere planetenstelsels (Devaloka) kunnen reizen: yānti deva-vratā devān. Het vereren van de bepaalde halfgod van een bepaalde planeet is voldoende om naar de maan, de zon of naar welke van de andere hogere planetenstelsels dan ook te gaan.

Toch raadt de Bhagavad-gītā ons niet aan om naar welke planeet in de materiële wereld dan ook te gaan, want zelfs al gaan we naar Brahmaloka, de hoogste planeet, door veertigduizend jaar lang te reizen in een of ander mechanisch toestel (en wie leeft er zo lang?), dan nog zullen we de materiële ongemakken van geboorte, dood, ziekte en ouderdom tegenkomen. Maar wie de allerhoogste planeet, Kṛṣṇaloka, of een van de andere planeten in de spirituele hemel wil bereiken, zal geen last ondervinden van deze materiële ongemakken. Te midden van alle planeten in de spirituele hemel is er īīn planeet die de allerhoogste is en die Goloka Vṛndāvana wordt genoemd. Zij is de oorspronkelijke planeet in de verblijfplaats van de oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa. De Bhagavad-gītā geeft ons al deze informatie en door haar instructies leert ze ons hoe we de materiële wereld kunnen verlaten en hoe we een leven vol werkelijk geluk kunnen beginnen in de spirituele hemel.

In het vijftiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā wordt een werkelijk beeld van de materiële wereld gegeven. Daar wordt gezegd:

ūrdhva-mūlam adhaḥ-śākham, aśvatthaṁ prāhur avyayam
chandāṁsi yasya parṇāni, yas taṁ veda sa veda-vit

De materiële wereld wordt hier beschreven als een boom waarvan de wortels omhoog gaan en de takken naar beneden. We hebben allemaal wel eens zo’n boom gezien: wanneer men op de oever van een rivier of van een waterbekken staat, kan men zien dat de weerspiegelde bomen omgekeerd staan. De takken gaan naar beneden en de wortels naar boven. Op dezelfde manier is de materiële wereld een weerspiegeling van de spirituele wereld. De materiële wereld is alleen maar een schaduw van de werkelijkheid. De schaduw zelf heeft geen werkelijkheid en geen substantie, maar door de schaduw begrijpen we dat er zowel een substantie als een werkelijkheid is. In een woestijn is geen water aanwezig, maar de luchtspiegeling geeft aan dat er zoiets als water bestaat. In de materiële wereld is er geen water, geen geluk, maar het echte water van werkelijk geluk is aanwezig in de spirituele wereld.

De Heer geeft aan dat we de spirituele wereld als volgt kunnen bereiken (Bg. 15.5):

nirmāna-mohā jita-saṅga-doṣā
adhyātma-nityā vinivṛtta-kāmāḥ
dvandvair vimuktāḥ sukha-duḥkha-saṁjñair
gacchanty amūḍhāḥ padam avyayaṁ tat

Dat padam avyayam of eeuwige koninkrijk kan bereikt worden door iemand die nirmāna-moha is. Wat betekent dit? We zijn allemaal op zoek naar benamingen. De een wil een ‘meneer’ worden, de ander een ‘excellentie’ en weer een ander wil de president worden of een rijk man of een koning of iets anders. Zolang we gehecht zijn aan die benamingen zijn we gehecht aan het lichaam, want deze benamingen hebben betrekking op het lichaam. Maar we zijn dit lichaam niet en wanneer we dat eenmaal begrijpen, is dat de eerste stap in onze spirituele bewustwording. We staan nu in contact met de drie hoedanigheden van de materiële natuur, maar we moeten ons door devotionele dienst aan de Heer van hen onthechten. Als we niet gehecht zijn aan devotionele dienst aan de Heer, dan kunnen we ons niet losmaken van de hoedanigheden van de materiële natuur. Benamingen en gehechtheden komen voort uit onze lust en verlangens, uit ons verlangen de baas te spelen over de materiële natuur. Zolang we deze neiging om de baas te spelen over de materiële natuur niet opgeven, is het onmogelijk om terug te gaan naar het koninkrijk van de Allerhoogste, de sanātana-dhāma. Dat eeuwige koninkrijk, dat nooit vernietigd wordt, kan benaderd worden door iemand die niet door de aantrekking van vals materieel genot misleid wordt en die standvastig is in dienst aan de Allerhoogste Heer; zo iemand kan die allerhoogste woning gemakkelijk bereiken.

Op een andere plaats in de Gītā (8.21) wordt gezegd:

avyakto ’kṣara ity uktas, tam āhuḥ paramāṁ gatim
yaṁ prāpya na nivartante, tad dhāma paramaṁ mama

Avyakta betekent ‘ongemanifesteerd’. Niet eens alles van de materiële wereld is aan ons gemanifesteerd. Onze zintuigen zijn zo onvolmaakt dat we niet eens alle sterren binnen dit materiële universum kunnen zien. Door de Vedische literatuur hebben we toegang tot veel informatie over alle planeten en we kunnen die informatie geloven of niet. Alle belangrijke planeten worden in de Vedische literatuur beschreven, vooral in het Śrīmad-Bhāgavatam, en de spirituele wereld, die voorbij deze materiële hemel ligt, wordt beschreven als avyakta, ongemanifesteerd. Men zou moeten verlangen en hunkeren naar dat allerhoogste koninkrijk, want wie dat koninkrijk bereikt, hoeft niet meer terug te keren naar de materiële wereld.

Men zou zich nu kunnen afvragen hoe men die woning van de Allerhoogste Heer kan bereiken. Het achtste hoofdstuk geeft hierover informatie. Daarin wordt gezegd:

anta-kāle ca mām eva, smaran muktvā kalevaram
yaḥ prayāti sa mad-bhāvaṁ, yāti nāsty atra saṁśayaḥ

‘En wie aan het eind van zijn leven, wanneer hij zijn lichaam verlaat, uitsluitend aan Mij denkt, bereikt onmiddellijk Mijn zijnstoestand. Hierover is geen twijfel mogelijk.’ (Bg. 8.5) Wie op het moment van de dood aan Kṛṣṇa denkt, gaat naar Kṛṣṇa. Men moet zich de gedaante van Kṛṣṇa herinneren; als men aan die vorm denkt wanneer men het lichaam verlaat, zal men zeker het spirituele koninkrijk bereiken. Mad-bhāvam heeft betrekking op de allerhoogste natuur van het Allerhoogste Wezen. Het Allerhoogste Wezen is sac-cid-ānanda-vigraha, dat wil zeggen: Zijn vorm is eeuwig, vol kennis en gelukzaligheid. Ons huidige lichaam is niet sac-cid-ānanda. Het is asat, niet sat. Het is niet eeuwig, maar vergankelijk. Het is niet cit, vol kennis, maar het is vol onwetendheid. We hebben geen kennis over de spirituele wereld en evenmin hebben we volmaakte kennis over de materiële wereld, waar zoveel dingen ons onbekend zijn. Het lichaam is ook nirānanda; in plaats van vol geluk te zijn, is het vol ellende. Alle ellende die we in de materiële wereld ondergaan wordt veroorzaakt door het lichaam, maar wie dit lichaam verlaat terwijl hij denkt aan Heer Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, krijgt meteen een sac-cid-ānanda-lichaam.

Het proces waarbij men het lichaam verlaat en in de materiële wereld een ander aanneemt, verloopt volgens een plan. Iemand sterft nadat is vastgesteld wat voor soort lichaam hij in zijn volgend leven krijgt. Deze beslissing wordt genomen door hogere autoriteiten en niet door het levend wezen zelf. Overeenkomstig onze activiteiten in dit leven kunnen we ofwel omhoog ofwel omlaag gaan. Dit leven is een voorbereiding op ons volgend leven. Als we ons daarom in dit leven kunnen voorbereiden om gepromoveerd te worden naar het koninkrijk van God, dan zullen we na het verlaten van dit materiële lichaam zeker een spiritueel lichaam krijgen, net als dat van de Heer.

Zoals al eerder is uitgelegd, zijn er verschillende soorten transcendentalisten: de brahma-vādī, paramātma-vādī en de toegewijde, en er is ook gezegd dat er in de brahmajyoti (de spirituele hemel) ontelbare spirituele planeten zijn. Het aantal van deze planeten is vele, vele malen groter dan alle planeten in de materiële wereld tezamen. De materiële wereld is naar schatting slechts een kwart van de schepping (ekāṁśena sthito jagat). In dit materiële deel bevinden zich miljoenen en miljarden universa met triljoenen planeten, zonnen, sterren en manen. Maar deze hele materiële schepping is enkel een fragment van de totale schepping. Het grootste gedeelte van de schepping bevindt zich in de spirituele hemel.

Wie ernaar verlangt op te gaan in het bestaan van het Allerhoogste Brahman, wordt onmiddellijk overgebracht naar de brahmajyoti van de Allerhoogste Heer en bereikt zo de spirituele hemel. De toegewijde die van het gezelschap van de Heer wil genieten, gaat naar de Vaikuṇṭha-planeten, waarvan er ontelbare zijn, en daar gaat de Allerhoogste Heer met hem om in Zijn volkomen expansies zoals Nārāyaṇa met vier armen en met verschillende namen zoals Pradyumna, Aniruddha en Govinda. Aan het eind van hun leven denken transcendentalisten daarom of aan de brahmajyoti of aan de Paramātmā of aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Śrī Kṛṣṇa. In al deze gevallen gaan ze binnen in de spirituele hemel, maar alleen de toegewijde of degene die persoonlijk contact heeft met de Allerhoogste Heer, gaat naar de Vaikuṇṭha-planeten of naar de planeet Goloka Vṛndāvana. De Heer voegt daar nog aan toe dat daarover ‘geen twijfel bestaat’. We moeten dit zonder meer geloven. We moeten dat wat niet met onze verbeelding strookt, niet afwijzen; onze houding zou eerder als die van Arjuna moeten zijn: ‘Ik geloof alles wat Je mij gezegd hebt.’ Wanneer de Heer daarom zegt dat degene die op het moment van de dood aan Hem denkt als Brahman of Paramātmā of als de Persoonlijkheid Gods, zeker in de spirituele hemel zal binnengaan, dan bestaat daarover geen twijfel. Hieraan kan gewoon niet worden getwijfeld.

De Bhagavad-gītā (8.6) legt ook het algemene principe uit dat het mogelijk maakt het spirituele koninkrijk binnen te gaan door eenvoudig aan de Allerhoogste te denken op het moment van de dood:

yaṁ yaṁ vāpi smaran bhāvaṁ, tyajaty ante kalevaram
taṁ tam evaiti kaunteya, sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ

‘Welke zijnstoestand iemand ook in gedachten heeft wanneer hij zijn lichaam opgeeft, o zoon van Kuntī, die toestand zal hij in zijn volgend leven zeker bereiken.’ Maar eerst moeten we begrijpen dat de materiële natuur een manifestatie is van een van de energieën van de Allerhoogste Heer. In de Viṣṇu Purāṇa (6.7.61) wordt het geheel van de energieën van de Allerhoogste Heer gekenschetst:

viṣṇu-śaktiḥ parā proktā, kṣetra-jñākhyā tathā parā
avidyā-karma-saṁjñānyā, tṛtīyā śaktir iṣyate

De Allerhoogste Heer heeft uiteenlopende en ontelbare energieën die onze verbeeldingskracht te boven gaan, maar geleerde wijzen of bevrijde zielen hebben deze energieën bestudeerd en geanalyseerd en in drie groepen ingedeeld. Al deze energieën zijn viṣṇu-śakti, dat wil zeggen: ze zijn allemaal verschillende vermogens van Heer Viṣṇu. De eerste energie is parā, transcendentaal. De levende wezens horen bij de hogere energie, zoals al eerder is uitgelegd. De andere energieën, ook wel de materiële energieën genoemd, bevinden zich in de hoedanigheid onwetendheid. Op het moment van de dood blijven we of in de lagere energie van de materiële wereld of we worden overgebracht naar de energie van de spirituele wereld. De Bhagavad-gītā (8.6) zegt dus:

yaṁ yaṁ vāpi smaran bhāvaṁ, tyajaty ante kalevaram
taṁ tam evaiti kaunteya, sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ

‘Welke zijnstoestand iemand ook in gedachten heeft wanneer hij zijn lichaam opgeeft, o zoon van Kuntī, die toestand zal hij in zijn volgend leven zeker bereiken.’

Ons hele leven door zijn we gewend om of aan de materiële of aan de spirituele energie te denken. Maar hoe kunnen we onze gedachten nu van de materiële energie op de spirituele energie richten? Er bestaat zoveel literatuur die onze gedachten vult met de materiële energie, zoals bijvoorbeeld kranten, tijdschriften, romans enz. Ons denken, dat nu helemaal in beslag wordt genomen door zulke literatuur, moet op de Vedische literatuur gericht worden. Daarom hebben de grote wijzen zoveel Vedische teksten, zoals de purāṇa’s, geschreven. De purāṇa’s zijn geen fictie; het zijn historische verslagen. In het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 20.122) staat het volgende vers:

māyā-mugdha jīvera nāhi svataḥ kṛṣṇa-jñāna
jīvere kṛpāya kailā kṛṣṇa veda-purāṇa

De vergeetachtige levende wezens of geconditioneerde zielen zijn hun relatie met de Allerhoogste Heer vergeten en zijn verdiept in gedachten aan materiële activiteiten. Om hun denkvermogen op de spirituele hemel te richten, heeft Kṛṣṇa-dvaipāyana Vyāsa de zeer omvangrijke Vedische literatuur gegeven. Allereerst verdeelde hij de Veda in vier delen, daarna legde hij ze in de purāṇa’s uit en voor hen die minder begaafd zijn heeft hij het Mahābhārata geschreven. De Bhagavad-gītā
wordt in het Mahābhārata gegeven. Daarna werd de hele Vedische literatuur samengevat in het Vedānta-sūtra en als een leidraad voor de toekomst heeft hij zijn natuurlijke commentaar op dat Vedānta-sūtra geschreven, die het Śrīmad-Bhāgavatam genoemd wordt. We moeten onze geest altijd gebruiken om deze Vedische literatuur te lezen. Net zoals materialisten hun geest bezighouden met het lezen van kranten, tijdschriften en zoveel andere materialistische literatuur, moeten wij onze leesgewoonten richten op de literatuur die ons door Vyāsadeva is gegeven. Op die manier zullen we in staat zijn om ons de Allerhoogste Heer te herinneren op het moment van de dood. Dat is de enige manier die de Heer voorstelt en Hij verzekert ons van het resultaat: ‘Hierover bestaat geen twijfel.’

tasmāt sarveṣu kāleṣu, mām anusmara yudhya ca
mayy arpita-mano-buddhir, mām evaiṣyasy asaṁśayaḥ

‘Denk daarom altijd aan Mij in de gedaante van Kṛṣṇa, o Arjuna, en vervul tegelijkertijd je voorgeschreven plicht als strijder. Wanneer je activiteiten aan Mij gewijd zijn en je geest en intelligentie op Mij gevestigd zijn, zul je Mij ongetwijfeld bereiken.’ (Bg. 8.7)

Kṛṣṇa raadt Arjuna niet aan om zich alleen Hem te herinneren en zijn voorgeschreven bezigheid op te geven. Nee, de Heer zou nooit iets onpraktisch voorstellen. In de materiële wereld moet men werken om het lichaam te onderhouden. De menselijke samenleving wordt, volgens de voorgeschreven activiteit die men verricht, onderverdeeld in vier sociale geledingen: brāhmaṇa’s, kṣatriya’s, vaiśya’s en śūdra’s. De klasse van de brāhmaṇa’s of de intellectuelen is op een bepaalde manier actief, de kṣatriya’s of de klasse van bestuurders zijn op een andere manier actief en de klasse van koopmanslieden en arbeiders doen allemaal hún eigen plicht.

Of men in de menselijke samenleving nu een arbeider, een koopman, een bestuurder of een boer is of zelfs als men tot de hoogste klasse behoort en een letterkundige, een wetenschapper of een theoloog is, men zal moeten werken voor zijn levensonderhoud. De Heer vertelt Arjuna daarom dat hij zijn bezigheden niet hoeft op te geven, maar dat hij zich, terwijl hij zijn voorgeschreven activiteiten uitoefent, Kṛṣṇa moet herinneren (mām anusmara). Als hij zich tijdens zijn strijd om het bestaan niet oefent in het zich herinneren van Kṛṣṇa, dan zal hij zich Kṛṣṇa onmogelijk kunnen herinneren op het moment van de dood. Ook Heer Caitanya raadt dit aan. Hij zegt: kīrtanīyaḥ sadā hariḥ, men moet zich oefenen in het voortdurend chanten van de namen van de Heer. Er bestaat geen verschil tussen de namen van de Heer en de Heer Zelf. De instructie van Heer Kṛṣṇa aan Arjuna dat hij zich Kṛṣṇa moet herinneren en Heer Caitanya’s opdracht om ‘altijd de namen van Heer Kṛṣṇa te chanten’ zijn een en dezelfde instructie. Er is geen verschil, omdat er geen verschil bestaat tussen Kṛṣṇa en Kṛṣṇa’s naam. Op het absolute niveau bestaat er geen verschil tussen het verwijzingsteken en datgene waarnaar verwezen wordt. We moeten ons daarom oefenen in het ons voortdurend herinneren van de Heer, vierentwintig uur per dag, door Zijn namen te chanten en de activiteiten in ons leven zo vorm te geven dat we altijd aan Hem kunnen denken.

Hoe is dat mogelijk? De ācārya’s geven het volgende voorbeeld. Als een getrouwde vrouw gehecht is aan een andere man of als een man gehecht is aan een andere vrouw dan zijn echtgenote, dan wordt deze gehechtheid als zeer sterk beschouwd. Iemand met zo’n gehechtheid denkt voortdurend aan zijn geliefde. De getrouwde vrouw die aan haar minnaar denkt, denkt altijd aan hun ontmoeting, zelfs wanneer ze het huishouden doet. Sterker nog, ze zal al haar huishoudelijk werk veel zorgvuldiger doen, zodat ze ondanks haar gehechtheid geen argwaan wekt bij haar echtgenoot. Op dezelfde manier moeten wij ons altijd de allerhoogste geliefde, Śrī Kṛṣṇa, herinneren, terwijl we tegelijkertijd al onze materiële plichten met zorg vervullen. Een sterk gevoel van liefde is hierbij noodzakelijk. Als we een sterk gevoel van liefde hebben voor de Allerhoogste Heer, kunnen we onze plicht doen en ons Hem tegelijkertijd herinneren. Maar we moeten dat gevoel van liefde ontwikkelen. Arjuna dacht bijvoorbeeld altijd aan Kṛṣṇa; hij was de trouwe vriend van Kṛṣṇa en tegelijkertijd was hij een strijder. Kṛṣṇa raadde hem niet aan het vechten op te geven en naar het bos te gaan om te mediteren. Toen Kṛṣṇa aan Arjuna de yogamethode uiteenzette, zei Arjuna dat het voor hem onmogelijk was om dat systeem te beoefenen.

arjuna uvāca
yo ’yaṁ yogas tvayā proktaḥ, sāmyena madhusūdana
etasyāhaṁ na paśyāmi, cañcalatvāt sthitiṁ sthirām

‘Arjuna zei: O Madhusūdana, de yogamethode die Je me in het kort beschreven hebt, lijkt me onpraktisch en niet vol te houden, want de geest is rusteloos en onstandvastig.’ (Bg. 6.33)

Maar de Heer zegt:

yoginām api sarveṣāṁ, mad-gatenāntar-ātmanā
śraddhāvān bhajate yo māṁ, sa me yuktatamo mataḥ

‘En van alle yogī’s is hij die zich vol vertrouwen voortdurend in Mij bevindt, die altijd aan Mij denkt en Mij transcendentale liefdedienst bewijst, het innigst met Mij in yoga verbonden en de beste van allemaal. Dat is Mijn mening.’ (Bg. 6.47)

Wie dus altijd aan de Allerhoogste Heer denkt, is tegelijkertijd de grootste yogī, de grootste jñānī en de grootste toegewijde. Vervolgens vertelt de Heer aan Arjuna dat hij als kṣatriya het strijden niet mag opgeven, maar als Arjuna vecht en zich daarbij Kṛṣṇa herinnert, dan zal hij zich Kṛṣṇa kunnen herinneren op het moment van de dood. Maar men moet de Heer wel met volkomen overgave transcendentale liefdedienst bewijzen.

We verrichten onze activiteiten eigenlijk niet met ons lichaam, maar met onze geest en onze intelligentie. Wanneer de geest en de intelligentie voortdurend aan de Allerhoogste Heer denken, dan zullen ook de zintuigen vanzelf bezig zijn Hem te dienen. De activiteiten van de zintuigen zullen oppervlakkig gezien dezelfde blijven, maar het bewustzijn is veranderd. De Bhagavad-gītā leert ons hoe de geest en de intelligentie verzonken kunnen raken in gedachten aan de Heer. Wanneer we op zo’n manier volledig opgaan in de Heer, zullen we in staat zijn naar Zijn koninkrijk te gaan. Als de geest bezig is in dienst aan Kṛṣṇa, zijn ook de zintuigen vanzelf bezig in Zijn dienst. Dat is de kunst en dat is ook het geheim van de Bhagavad-gītā: volkomen verdiept zijn in gedachten aan Śrī Kṛṣṇa.

De moderne mens heeft zeer veel moeite gedaan om de maan te bereiken, maar heeft zich niet bijzonder hard ingespannen om zichzelf spiritueel te ontwikkelen. Als men nog vijftig jaar te leven heeft, zou men die korte tijd moeten gebruiken om zich te oefenen in het zich herinneren van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Deze oefening is het proces van devotie:

śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ, smaraṇaṁ pāda-sevanam
arcanaṁ vandanaṁ dāsyaṁ, sakhyam ātma-nivedanam

(Śrīmad-Bhāgavatam 7.5.23)

Door deze negen processen, waarvan de makkelijkste śravaṇam is, het horen van de Bhagavad-gītā van een zelfgerealiseerd persoon, zal men zijn gedachten op het Allerhoogste Wezen richten. Als gevolg hiervan zal men zich de Allerhoogste Heer herinneren en zal men in staat zijn om op het moment waarop men dit lichaam verlaat een spiritueel lichaam te krijgen dat precies geschikt is om met de Allerhoogste Heer om te gaan.

De Heer zegt verder:

abhyāsa-yoga-yuktena, cetasā nānya-gāminā
paramaṁ puruṣaṁ divyaṁ, yāti pārthānucintayan

‘Wie op Mij mediteert als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en zonder van het pad af te dwalen voortdurend aan Me denkt, zal Me zeker bereiken, o Pārtha.’ (Bg. 8.8)

Dit proces is niet zo moeilijk, maar men moet het leren van iemand met ervaring. Tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet: men moet iemand benaderen die dit proces al beoefent. De geest vliegt altijd van hier naar daar, maar men moet zich er in oefenen hem altijd geconcentreerd te houden op de vorm van de Allerhoogste Heer, Śrī Kṛṣṇa, of op het geluid van Zijn naam. De geest is van nature rusteloos en gaat van hier naar daar, maar hij kan rust vinden in de geluidsvibratie van Kṛṣṇa. Men moet daarom mediteren op de paramaṁ puruṣam, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods in het spirituele koninkrijk, de spirituele hemel, en Hem daar bereiken. De manier waarop en de middelen waarmee men de uiteindelijke realisatie bereikt, het uiteindelijke doel, wordt in de Bhagavad-gītā gegeven en deze kennis is toegankelijk voor iedereen. Niemand wordt uitgesloten. Alle klassen van mensen kunnen Heer Kṛṣṇa benaderen door aan Hem te denken, want over Hem horen en aan Hem denken is mogelijk voor iedereen.

De Heer zegt verder (Bg. 9.32-33):

māṁ hi pārtha vyapāśritya, ye ’pi syuḥ pāpa-yonayaḥ
striyo vaiśyās tathā śūdrās, te ’pi yānti parāṁ gatim
kiṁ punar brāhmaṇāḥ puṇyā, bhaktā rājarṣayas tathā
anityam asukhaṁ lokam, imaṁ prāpya bhajasva mām

Hier zegt de Heer dat zelfs een koopman, een gevallen vrouw of een arbeider of zelfs menselijke wezens in de laagste levenspositie de Allerhoogste kunnen bereiken. Men hoeft geen hoogontwikkelde intelligentie te hebben. Het gaat erom dat iedereen die het principe van bhakti-yoga aanvaardt en die de Allerhoogste Heer aanvaardt als het summum bonum van het leven, als het hoogste doel, als de uiteindelijke bestemming, de Heer kan benaderen in de spirituele hemel. Wie de principes toepast die in de Bhagavad-gītā worden uiteengezet, kan zijn leven vervolmaken en alle problemen van het leven definitief oplossen. Dit is de essentie van de hele Bhagavad-gītā.

De conclusie is dat de Bhagavad-gītā een transcendentaal werk is dat men zeer zorgvuldig moet lezen. Gītā-śāstram idaṁ puṇyaṁ yaḥ paṭhet prayataḥ pumān. Wanneer men de instructies van de Bhagavad-gītā op de juiste manier volgt, kan men in dit leven bevrijd raken van alle angsten en ellende van het leven en zal het volgend leven spiritueel zijn. Viṣṇoḥ padam avāpnoti bhaya-śokādi varjitaḥ (Gītā-māhātmya 1)

Er is nog een ander voordeel:

gītādhyāyana-śīlasya, prāṇāyama-parasya ca
naiva santi hi pāpāni, pūrva-janma-kṛtāni ca

‘Als iemand de Bhagavad-gītā heel oprecht en serieus leest, dan zullen door de genade van de Heer de karmische reacties op zijn vroegere wandaden geen vat op hem hebben.’ (Gītā-māhātmya 2) De Heer zegt nadrukkelijk in het laatste gedeelte van de Bhagavad-gītā (18.66):

sarva-dharmān parityajya, mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo, mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ

‘Laat alle vormen van religie achter je en geef je alleen aan Mij over. Ik zal je verlossen van alle reacties op je zonden. Vrees niet.’ Op deze manier neemt de Heer alle verantwoordelijkheid op zich van degene die zich aan Hem overgeeft en Hij vrijwaart zo’n persoon van alle karmische reacties op zonden.

mala-nirmocanaṁ puṁsāṁ, jala-snānaṁ dine dine
sakṛd gītāmṛta-snānaṁ, saṁsāra-mala-nāśanam

‘Iemand mag zich dan dagelijks wassen door een bad te nemen in water, maar als hij slechts īīn keer een bad neemt in het heilige gangeswater van de Bhagavad-gītā, dan zal voor hem al het vuil van het materiële leven volledig zijn weggevaagd.’ (Gītā-māhātmya 3)

gītā su-gītā kartavyā, kim anyaiḥ śāstra-vistaraiḥ
yā svayaṁ padmanābhasya, mukha-padmād viniḥsṛtā

Omdat de Bhagavad-gītā door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods gesproken is, hoeft men geen enkele andere Vedische tekst te lezen. Men hoeft alleen aandachtig en regelmatig de Bhagavad-gītā te horen en te lezen. In het huidige tijdperk worden mensen zozeer in beslag genomen door wereldse activiteiten, dat ze onmogelijk de hele Vedische literatuur kunnen lezen. En dat is ook niet nodig. Dit ene boek — de Bhagavad-gītā — is voldoende, omdat het de essentie van de hele Vedische literatuur is en vooral ook omdat het door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is gesproken (Gītā-māhātmya 4).

En zoals wordt gezegd:

bhāratāmṛta-sarvasvaṁ, viṣṇu-vaktrād viniḥsṛtam
gītā-gaṅgodakaṁ pītvā, punar janma na vidyate

‘Wie het water van de Ganges drinkt, krijgt bevrijding, om niet te spreken van degene die de nectar van de Bhagavad-gītā drinkt. De Bhagavad-gītā is de essentiële nectar van het Mahābhārata en werd gesproken door Heer Kṛṣṇa Zelf, de oorspronkelijke Viṣṇu.’ (Gītā-māhātmya 5) De Bhagavad-gītā komt van de mond van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en de Ganges ontspringt aan de lotusvoeten van de Heer. Er is natuurlijk geen verschil tussen de mond en de voeten van de Allerhoogste Heer, maar door een onbevooroordeelde studie kunnen we begrijpen dat de Bhagavad-gītā nog belangrijker is dan het water van de Ganges.

sarvopaniṣado gāvo, dogdhā gopāla-nandanaḥ
pārtho vatsaḥ su-dhīr bhoktā, dugdhaṁ gītāmṛtaṁ mahat

‘Deze Gītopaniṣad, de Bhagavad-gītā, de essentie van alle upaniṣads, is net als een koe en Heer Kṛṣṇa, die bekendstaat als een koeherdersjongen, melkt deze koe. Arjuna is net als een kalf en wijze geleerden en zuivere toegewijden moeten deze nectarmelk van de Bhagavad-gītā drinken.’ (Gītā-māhātmya 6)

ekaṁ śāstraṁ devakī-putra-gītam, eko devo devakī-putra eva
eko mantras tasya nāmāni yāni, karmāpy ekaṁ tasya devasya sevā

(Gītā-māhātmya 7)

Tegenwoordig verlangen mensen zeer sterk naar īīn geschrift, īīn God, īīn religie en īīn bezigheid. Vandaar ekaṁ śāstraṁ devakī-putra-gītam: laat er slechts īīn heilige tekst zijn, īīn gezamenlijke heilige tekst voor de hele wereld — de Bhagavad-gītā. Eko devo devakī-putra eva: laat er īīn God zijn voor de hele wereld — Śrī Kṛṣṇa. Eko mantras tasya nāmāni: en īīn hymne, īīn mantra, īīn gebed — het chanten van Zijn naam: Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Karmāpy ekaṁ tasya devasya sevā: en laat er maar īīn activiteit zijn — dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.

De opeenvolging van discipelen

Evaṁ paramparā-prāptam imaṁ rājarṣayo viduḥ (Bhagavad-gītā 4.2). Deze Bhagavad-gītā zoals ze is werd ontvangen via de volgende opeenvolging van discipelen:

1. Kṛṣṇa
2. Brahmā
3. Nārada
4. Vyāsa
5. Madhva
6. Padmanābha
7. Nṛhari
8. Mādhava
9. Akṣobhya
10. Jaya Tīrtha
11. Jñānasindhu
12. Dayānidhi
13. Vidyānidhi
14. Rājendra
15. Jayadharma
16. Puruṣottama
17. Brahmaṇya Tīrtha
18. Vyāsa Tīrtha
19. Lakṣmīpati
20. Mādhavendra Purī
21. Īśvara Purī, (Nityānanda, Advaita)
22. Heer Caitanya
23. Rūpa, (Svarūpa, Sanātana)
24. Raghunātha, Jīva
25. Kṛṣṇadāsa
26. Narottama
27. Viśvanātha
28. (Baladeva), Jagannātha
29. Bhaktivinoda
30. Gaurakiśora
31. Bhaktisiddhānta Sarasvatī
32. A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda