Bg 2.14

mātrā-sparśās tu kaunteya, śītoṣṇa-sukha-duḥkha-dāḥ
āgamāpāyino ’nityās, tāṁs titikṣasva bhārata
Woord-voor-woord-vertalingen: 
mātrā-sparśāḥ — zintuiglijke waarneming; tu — alleen maar; kaunteya — o zoon van Kuntī; śīta — winter; uṣṇa — zomer; sukha — geluk; duḥkha — en pijn; dāḥ — gevend; āgama — verschijnend; apāyinaḥ — verdwijnend; anityāḥ — tijdelijk; tān — ze allemaal; titikṣasva — probeer gewoon te verdragen; bhārata — o afstammeling van de Bharata-dynastie.
Vertaling: 
O zoon van Kuntī, het afwisselend komen en gaan van geluk en verdriet is als het komen en gaan van zomer en winter. Ze zijn het gevolg van zintuiglijke waarneming, o afstammeling van Bharata, en men moet ze onbewogen leren verdragen.
Commentaar: 

Wanneer men zijn plicht op de juiste manier vervult, moet men het afwisselend komen en gaan van geluk en verdriet leren verdragen. Volgens de Vedische voorschriften moet men in de vroege ochtend een bad nemen, zelfs tijdens de maand Māgha (januari-februari). Rond die tijd is het heel koud, maar ondanks dat zal een man die zich aan de religieuze principes houdt, niet aarzelen om een bad te nemen. Op dezelfde manier zal een vrouw niet aarzelen om in de keuken te gaan koken tijdens de maanden mei en juni, wat in India de heetste periode van de zomer is. Men moet zijn plicht vervullen, ondanks de ongemakken van het klimaat. Op dezelfde manier geldt voor de kṣatriya’s het religieuze principe dat ze moeten vechten; ook al moet men de strijd aangaan met vrienden of familieleden, men mag niet van zijn voorgeschreven plicht afwijken. Men moet zich aan de voorgeschreven regels en bepalingen van de religieuze principes houden om tot het niveau van kennis te komen, want alleen door kennis en devotie kan men zich uit de greep van māyā (illusie) bevrijden.

De twee namen waarmee Arjuna hier wordt aangesproken, zijn ook belangrijk. Hij wordt aangesproken met Kaunteya vanwege zijn hoge afkomst aan moederskant en hij wordt Bhārata genoemd vanwege zijn hoge afkomst aan vaderskant. Aan beide kanten staat hij bekend als de erfgenaam van een groot erfdeel. Zo’n groot erfdeel brengt verantwoordelijkheden met zich mee wat betreft het juist vervullen van plichten; hij kan het gevecht daarom niet uit de weg gaan.